Posts tonen met het label bisschop van utrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bisschop van utrecht. Alle posts tonen

vrijdag 14 december 2018

De Zuiderzee – 50 – Het kerkplein van Vollenhove


De meeste mensen zullen bij Vollenhove denken aan Pieter van, maar het is ook een alleraardigst stadje aan de voormalige Zuiderzeekust. Gelukkig heeft men, bij de aanleg van de Noordoostpolder, hier een wat breder stuk water gepland, zodat je er ook een mooi zicht op hebt. 



De haven ligt nu vol met plezierjachten, maar Vollenhove was vroeger een vissersplaats. Jac. P. Thijsse noemt in zijn boek 'Langs de Zuiderzee' de garnalenpellerij en de ansjovispakkerij. Maar toen naderde het einde al, zoals voor alle vissersplaatsjes langs de Zuiderzee.

Het stadje wordt in de 10e eeuw voor het eerst genoemd. Een eeuw later werd er een versterkt huis gebouwd, waar nog wat later een kerkje naast verrees. In 1170 werd die eerste versterking door Bisschop Godfried van Rhenen vervangen door een echt kasteel, met gracht. Dat is nog te herkennen in de oude vissershaven, met middenin het eiland waar de burcht ooit op stond.

Rond het kasteel bouwden de belangrijkste personen uit de entourage van de bisschop, de borgmannen, hun huizen. Daaruit ontwikkelden zich in de 17e eeuw 13 havezaten, een aantal daarvan zijn nu nog in Vollenhove terug te vinden.

Na de ontruiming van Schokland vestigde een aantal Schokkers zich in de ruïnes van het kasteel. Gaandeweg werd de haven vergroot. De laatste resten van de burcht en de door de Schokkers gebouwde huisjes, werden in 1955 gesloopt.

Als wij er aankomen hebben we de pech dat een van de straten in het centrum opgebroken is. We werpen een blik op de Grote- of St. Nicolaaskerk, die waarschijnlijk de opvolger is van het oudste kerkje uit 1100. De zware 16e eeuwse toren staat los van de kerk en is vastgebouwd aan het opvallende stadhuis. Dat heeft een gevel met lichte en donkere banden, een galerij met zuilen en een uitgebouwd balkon.

Aan de rechterkant van het stadhuis staat de woning van de stadsbode, die sinds halverwege de 19e eeuw in gebruik is als herberg en later hotel-restaurant. Het stadhuis heeft sinds enige tijd ook een horecafunctie.

Een andere opvallende gevel aan het kerkplein is die van de Latijnse school. Het is een 17e eeuws pand waarvan de straatkant versierd is met zandstenen speklagen, ornamenten en bogen boven de kruisvensters. Het is later gebruikt als Franse school en kostschool. In een aanbouw aan de rechterkant zijn twee brede deuren met ronde bovenkant, voor één daarvan staan aan weerszijden rijk bewerkte stoepstenen uit de 17e eeuw. Volgens een klein uithangbordje wordt er antiek verkocht.



NB: Dit verhaal is geschreven in 2017, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: Dr. L. van Egeraat – Het Onbekende Nederland 196?; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites

Een website met bijzonder veel informatie over Vollenhove, zijn geschiedenis en monumenten is: www.henkvanheerde.nl/vollenhove





donderdag 27 juni 2013

Het groene hart 13 - Gevechten tussen Utrechters en IJsselsteiners


De plattegrond van IJsselstein is tamelijk overzichtelijk: een rechthoek, met een paar straten in de lengte en een paar overdwars. Men denkt dat die regelmatige opzet samenhangt met de verkaveling van het bouwland langs de IJssel, de langgerekte stroken waaruit de stad is opgebouwd komen overeen met het omringende boerenland.

In de hoek vlak bij het kasteel, dat net buiten de noordwestelijke zijde van de rechthoek ligt, staat de oude hervormde kerk. In de tegenoverliggende hoek staat de neogotische katholieke kerk. In het midden van de stad is het marktpleintje met het stadhuis en op de zuidhoek van de vesting staat een molen, op het laatste stukje stadsmuur dat overgebleven is.

Dominee Craandijk doet de bezichtiging van IJsselstein af in zeven regels, want: 'Het stadje zelf heeft men spoedig gezien.' Dat mag zo zijn, want het is niet groot, maar het is wel mooi en het heeft een zeer bewogen geschiedenis.




Wij wandelen om de kerk heen, richting IJsselpoort. Esther en Elly blijven hangen bij een rijtje winkels in de Utrechtse straat, Gerard en ik, die meer de ernst van onze onderneming voor ogen hebben, wandelen samen verder.

De IJsselpoort vormde tot 1950, samen met de Benschopperpoort, aan de andere kant van het stadje, de enige toegang tot de binnenstad. Pas daarna heeft men de verbinding met de overdwars lopende kasteellaan gemaakt, die nu de belangrijkste verkeersader vormt.

Eigenlijk is de IJsselpoort z'n naam nauwelijks waard, de echte poort is in 1852 gesloopt en vervangen door een van kloostermoppen gemetselde borstwering, aan weerskanten van de straat, waarop kleine neogotische siertorentjes prijken. Van een echte poort is dus geen sprake, maar de stadsgracht heeft hier een verbinding met de IJssel en zo is het toch een schilderachtig punt.

We bekijken het piepkleine wachtershuisje uit 1622, met zijn aardige trapgeveltje, dat links van de poort staat. Het diende tot 1972 als opslagplaats voor de brandspuit. Daarna werd het gerestaureerd, van een nieuwe, in oude stijl uitgevoerde, onderpui voorzien en nu biedt het onderdak aan de vrijwilligerscentrale IJsselstein. Rechts van de poort is de Kopierette en de Intercoiffure, links heeft een bewoner van een aangrenzend pand de beschikking over een romantisch terras aan het water.


Als we een gedenksteen staan te bekijken, die in de poortdoorgang is ingemetseld, stapt er een oudere heer van zijn fiets. Hij vraagt of wij weten waarom er twee hazen op de steen staan afgebeeld. Op ons ontkennende antwoord vertelt hij over een oorlog in de 15e eeuw waarbij de IJsselsteiners, met behulp van Gelderse troepen, de Utrechters op de vlucht wisten te jagen. 'Ze gingen er als hazen vandoor. En daarom heet het verderop ook Hazenveld. De burgemeester van Utrecht heeft die steen een jaar of tien terug onthuld, maar zij is gewoon gebleven voor een kopje koffie, hoor.'

Zo moet het met dominee Craandijk ook zijn gegaan, grap ik tegen Gerard als de vriendelijke IJsselsteiner zijn weg heeft vervolgd, hij kwam ook in contact met de lokale bevolking die hem allerlei wetenswaardigheden vertelde. Welke slag er met die steen precies herdacht is kan ik achteraf niet achterhalen.

Na de dood van Gijsbrecht van IJsselstein in 1344 hadden zijn opvolgers binnen de kortste keren weer mot met al hun buren. Met name de conflicten met de Utrechters waren bitter. Er werd over en weer geplunderd en gebrandschat.

Na de dood van Arnold van IJsselstein, in 1363, kwam het stadje via zijn dochter Guyotte in het geslacht van Egmond. Rond 1390 werden de versterkingen rondom IJsselstein uitgebreid. De stad werd bijna twee maal zo groot, het nieuwe deel dat ten zuidoosten van de binnenstad lag, heet nog steeds Nieuwpoort, maar het gaat nu schuil onder een nieuwbouwwijk.

In 1416 kreeg Johan van Egmond ruzie met zowel de Hollanders als de Utrechters die daarop in vereniging bijna een jaar lang het kasteel belegerden en uiteindelijk verwoestten. Het daaropvolgende jaar gaf Jacoba van Beijeren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, opdracht aan de burgers van Utrecht om IJsselstein tot de grond toe af te branden.

'Nauwelijks was in 1418 het heilige kerstfeest gevierd, of de burgers togen uit en verwoestten alles, en gaven in 't midden van de winter de schamele gemeente aan gebrek en koude prijs !', vermeldt Craandijk, die na vierenhalve eeuw nog van afschuw vervuld is door zo'n gewelddaad. Het moderne onderscheid tussen militaire en burgerdoelen werd toen nog niet gemaakt en oorlogstribunalen kende men niet. Burgers waren partij in de ruzies tussen hun heersers en vochten enthousiast en meedogenloos mee. 


NB: Dit verhaal is geschreven in 2004 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van de vereniging Artishock in Soest en op het Volkskrantblog. 


Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
 
Links:

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard




donderdag 20 juni 2013

Het groene hart 12 - IJsselstein, een middeleeuwse soap


Wanneer precies begonnen is met de bouw van het kasteel van IJsselstein is niet bekend. Vast staat dat er rond 1250 een Arent van IJsselstein resideerde. Deze wist in de tweede helft van de 13e eeuw zowel in conflict te komen met de bisschop van Utrecht als met de graaf van Holland. Het begon met gedoe rondom het slot van Vreeland, dat Arent en zijn broer Gijsbrecht van Amstel, niet af wilden staan aan de bisschop. Met behulp van graaf Floris V van Holland, werd het kasteel ingenomen. Arent werd gevangen gezet en moest in ruil voor zijn vrijheid een groot deel van zijn goederen aan Floris afstaan. Het is dus niet verwonderlijk dat we Arent en Gijsbrecht later terugvinden onder de samenzweerders tegen Floris V.

Arent overleed in 1291, zijn zoon Gijsbrecht erfde het kasteel. In 1296 werd geprobeerd Floris naar Engeland te ontvoeren. Het plan mislukte en de graaf werd vermoord. Oom Gijsbrecht van Amstel, was daar direct bij betrokken, maar ook neef Gijsbrecht van IJsselstein werd verdacht en kwam in moeilijkheden.

De twee werden opgejaagd door de wraakzuchtige getrouwen van de nieuwe graaf, de nog minderjarige Jan I. De oudste Gijsbrecht werd uit Nederland verdreven en zijn goederen werden verbeurd verklaard, ingepikt dus. Zijn neef werd gevangen genomen door Hubert van Vianen en opgesloten in slot Culemborg.


Mevrouw van IJsselstein, Berta (Craandijk noemt haar: 'Baerte'), die van zichzelf van Heukelum heette, wist het kasteel van IJsselstein een jaar lang te verdedigen tegen de troepen van Hubert van Vianen. Deze wou de belegering niet opgeven omdat op het slot ook zijn zoontje gevangen werd gehouden. Het kind was eerder, op slinkse wijze, door handlangers van de van IJsselsteins ontvoerd.

Toen die uiteindelijk door honger en gebrek het verzet moesten staken werd van de 16 mannen, die nog op het kasteel in leven waren, de helft onthoofd. Het was allemaal nog ver voor de conventie van Geneve en ook opsluiting in Guantanomo bay zat er toen nog niet in.

Zo kwam het kasteel in Hollandse handen. Na de dood van graaf Jan I, schonk zijn opvolger, Jan de II van Avesnes, het aan zijn broer Guy van Henegouwen. Die werd in 1301 bisschop van Utrecht en in de herschikking van bezittingen die daarop volgde wist Gijsbrecht zich weer van het slot meester te maken. In 1305 zitten hij en Berta weer prinsheerlijk op kasteel IJsselstein en verzoenen ze zich met graaf Willem III, opvolger van Jan II. Hun zoon Arnoud trouwt met Maria, de bastaarddochter van bisschop Guy.

Vervolgens is er even pauze in de middeleeuwse soap. In die relatief rustige tijd wordt werk gemaakt van het opbouwen van de stad IJselstein. Gijsbrecht stierf pas in 1344 en had dus de gelegenheid om een en ander goed aan te pakken. Hij stichtte in 1309 de kerk en legde de eerste versterkingen aan.


Na een vluchtige blik op de enige toren die nog van het kasteel overgebleven is wandelen we langs de stadsgracht naar Gijsbrechts kerk. De middeleeuwse vestingwerken rondom IJsselstein zijn bijna helemaal verdwenen. 'De hervormde kerk ligt vriendelijk tusschen 't plantsoen, dat hier den ouden stadswal heeft vervangen', schrijft Craandijk. Van het oorspronkelijke godshuis is, na een verwoesting in 1466, niets meer over. De kerk is na 1500 herbouwd in laat gotische trant.

De toren stamt van rond 1530 en vormt een overgang naar de renaissance, men denkt dat de Italiaanse architect Alesandro Pasqualini, waarvan bekend is dat hij in die tijd voor de heer van IJsselstein werkte, hem heeft ontworpen. Maar van zijn schepping staan alleen de onderste vier verdiepingen nog overeind. De spits brandde in 1568 af en na herbouw in de 17e eeuw, ging hij in 1911 opnieuw in rook op. De huidige bakstenen spits is ontworpen door M. de Klerk, aanhanger van de Amsterdamse school, en werd voltooid in 1928. De architect was toen al vijf jaar dood.

We lopen het portaal van de kerktoren binnen en horen dat de dienst in volle gang is. Binnen moeten twee prachtige grafmonument te zien zijn. Het ene daterend uit 1370 met levensgrote beelden van heer Gijsbrecht van IJsselstein en zijn vrouw Berta, hun zoon Arnoud (gestorven in 1363) en diens vrouw Maria van Henegouwen. Aan de voeten van de, in harnas gestoken, heren liggen leeuwen als symbool van moed, aan de voeten van de dames hondjes ten teken van trouw. Het tweede monument is voor Aleid van Culemborg, de in 1471 jong gestorven vrouw van Frederik van Egmond, heer van IJsselstein, die zelf pas in 1522 overleed. Ook hierop een beeld met een hond aan de voeten.

We willen de eredienst niet verstoren en wandelen weer naar buiten. We hebben trek in koffie, dus gaan we verder het oude stadje in, op zoek naar een café of restaurant .



NB: Dit verhaal is geschreven in 2004 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van de vereniging Artishock in Soest en op het Volkskrantblog. 


Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
 
Links:

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard




vrijdag 24 mei 2013

Het groene hart 9 - Montfoort, kerk, kasteel en commanderij



De naam Montfoort wordt op verschillende manieren uitgelegd. De ene lezing is dat het afgeleid is van 'Mons Fortis', sterke berg en dat zou slaan op de versterking die hier halverwege de 12e eeuw gebouwd werd op last van bisschop Godfried van Rhenen. Op de website van de gemeente wordt als tweede verklaring de oude benaming Castrum Muntford gegeven, wat afgeleid zou zijn van Mundevoorde, een doorwaadbare plaats. Het 'foort' kan dus slaan op 'fort', maar ook op 'voorde' zoals bij Amersfoort.


De bisschop van Utrecht was in ieder geval voortdurend in conflict gewikkeld met de machthebbers van de hem omringende graafschappen, Holland en Gelre. 'Dit sterke kasteel moest een voormuur tegen Holland zijn.' Schrijft dominee Craandijk. 'De burggraven die er op gesteld werden, trachtten evenzeer zich onafhankelijk te maken als zoovele anderen, en hun titel in dien van Heeren van Montfoort te verwisselen…' Zo creëerde de bisschop dus een nieuw probleem. De slotvoogden die door hem werd aangesteld probeerden vlijtig om via Montfoort een onafhankelijke positie te verwerven.

In 1329 leek dat zo'n beetje gelukt te zijn. Montfoort kreeg stadsrechten en werd een vrijstad tussen Holland en het Utrechtse Sticht. Voordien en nadien leenden de Montfoorters hun diensten wisselend aan de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht. In 1301 hielpen ze, onder aanvoering van burggraaf Zweder, de Hollanders in een veldslag waarin de bisschop Willem van Mechelen sneuvelde. Wat later verzoende Jan van Montfoort zich weer met bisschop Filips van Bourgondië. Een andere Jan hielp bisschop David van Bourgondië in zijn gevecht tegen Maximiliaan van Oostenrijk.


Pas onder Karel V nam al dit gewoel een beetje af, of zoals Craandijk het zegt: '…de nieuwe tijd werd geboren en uit de menigte van min of meer onafhankelijke staatjes begon zich, door de ijzeren vuist en het koele hoofd van Karel V, een machtig rijk te vormen.'

Het werd daarmee nog niet direct pais en vree in Montfoort. 'De Spanjaarden hielden er in 1574 deerlijk huis, en de Franschen spaarden het in 1672 niet.' Toen werd dus onder meer het kasteel grotendeels verwoest. En in de 18e eeuw nog '…legde een zware brand er de kerk en 70 huizen in de asch.' In de hervormde kerk, waar je als vanzelf naar toe wandelt als je onder de poort van het kasteel doorloopt, ligt volgens Craandijk '…een uitgesleten zerk. Daaronder is de kelder, waar de onrustige burggraven met de hunnen ter ruste werden gelegd.'

Volgens 'Monumenten in Nederland' is het de grafsteen van Charlotte van Brederode, vrouwe van Montfoort, overleden in 1529. De kerk zelf, die volgens de dominee '…niets bezienswaardigs heeft…', is een tamelijk grote, laatgotische, kruiskerk. Hij is uitgevoerd in rode baksteen, heeft een vijfzijdig koor en een halfingebouwde westtoren met een ranke spits. Hij staat er knus op een sfeervol pleintje met lage boompjes en bankjes.


Achter de kerk, op de hoek van een smal straatje, is een kapelletje met daaraan vast gebouwd een oud pand met een grote inrijpoort. In Craandijks dagen was er een grutterij in gevestigd (een 19e eeuwse kruidenier), maar in zijn fantasie ziet de dominee geharnaste ridders te paard door de poort naar buiten draven: '…gelijk het edelen paste van hoogen naam en kloeken moed (…) de gebaarde lippen hadden op menig oorlogsveld den donderende wapenkreet laten weergalmen, die in de ooren der ongeloovigen zo'n vreeselijken klank had (…). De rooden kap, die het hoofd bedekt, verbergt de geschoren kruin, maar het witte kruis op den zwarten mantel toont het (…). Het zijn de geduchte ridders van st. Jan van Jeruzalem, de Malthezer ridders (…) gezegend door menigen kranken pelgrim, door menigen gewonden krijgsman, dien zij hadden verpleegd in hun hospitaal te Jeruzalem.'

De ridders van de Johannieter orde hadden in Montfoort hun commanderij gesticht onder aanvoering van de Utrechtse balijer Bernhard van Duven. De ridderorde werd rond 1050 in het beloofde land opgericht en het hoofdkwartier was lange tijd gevestigd op Malta. De hospitaalridders waren de inspiratie voor het rode kruis, maar volgens deskundigen zijn de kruisridders er ook de schuld van dat er nu nog steeds hevige spanningen zijn tussen Christendom en Islam. *) Op verschillende plaatsen in Nederland hadden zij hun commanderijen.

Een bijzonder mooi voorbeeld is de, overigens grotendeels gereconstrueerde, commanderij van st. Jan in Nijmegen. Van het oorspronkelijke complex in Montfoort resteren nu alleen nog een overdekte kloostergang, de inrijpoort en een kapel. Het geheel wordt beheerd door dezelfde organisatie die in het kasteel het restaurant exploiteert. De kapel is te huur voor recepties en trouwerijen.


*) Zie: In het spoor van de kruisridders - Terry Jones en Alan Ereira, Teleac 1996. 
De protestantse tak, de Johanniterorde, is nog steeds actief in het verzorgen van zieken. Alleen Protestante leden van de adel kunnen lid worden. ZKH Prins Berhard was lange tijd landscommandeur. Informatie is te vinden op: www.johanniter.nl In Duitsland bestiert de orde een groot aantal ziekenhuizen en kuuroorden, zie: www.johanniterorden.de , ook in Zweden zijn de Johanniters actief: www.johanniterorden.se.

NB: Dit verhaal is geschreven in 2003 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van de vereniging Artishock in Soest en op het Volkskrantblog.



Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
 
Links:

Website van de gemeente Monfoort: www.montfoort.nl

Website van kasteel Montfoort.


Lokatie Montfoort op Google Maps

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard



vrijdag 17 mei 2013

Het groene hart 8 - Langs de Hollandse IJssel naar het kasteel van Montfoort


We rijden van Oudewater naar Montfoort langs de Hollandse IJssel, een rivier die zich in de buurt van IJsselstein afsplitst van de Lek en zich bij Krimpen aan de IJssel net zo vrolijk weer bij diezelfde grote rivier aansluit. Samen omsluiten de beide waterlopen de Krimpenerwaard en de Lopikerwaard.

Tot in de middeleeuwen waren hier uitgestrekte moerassen die vanaf de 11e eeuw ontgonnen werden door middel van het 'cope-systeem'. De landsheer, hier de bisschop van Utrecht, verpachtte het recht op ontginning tegen een vastgestelde koopsom, een 'cope', of een periodieke betaling. Plaatsnamen als Willeskop en Benschop, beide gelegen in de Lopikerwaard herinneren hier aan.



De ontginners groeven evenwijdige sloten in het drassige veengebied om het overtollige water af te voeren. Die sloten stonden haaks op natuurlijke waterlopen, in ons geval de IJssel, of gegraven kanalen of weteringen. Zo ontstonden kavelstroken van 30 roeden breed en zes voorling diep, ongeveer 115 bij 1250 meter. De boerderijen werden doorgaans op de kop van de kavel langs de hoofdwetering of rivier gebouwd. Vandaar dat je hier veel boerderijenlinten tegenkomt. Afgezien van lege weilanden en boerderijen is er, tussen Oudewater en Montfoort, niet veel te zien, zeker niet in de winter.


Montfoort is een stad die zijn ontstaan dankt aan de rivaliteit tussen Utrecht en Holland. Omstreeks 1170 liet de Utrechtse bisschop Godfried van Rhenen hier, ten zuiden van de IJssel, een kasteel bouwen. Tussen de burcht en de rivier ontwikkelde zich in de daarop volgende eeuwen een nederzetting, die in 1329 stadsrechten kreeg.

Gerard en ik rijden de stad binnen over de provinciale weg die, rond 1930, met weinig gevoel voor historie, dwars over het voormalige kasteelterrein is aangelegd. In 1991 heeft men, wellicht berouwvol, een poging gedaan deze harteloze daad een beetje goed te maken en een deel van de funderingen van het slot weer zichtbaar gemaakt. Achter een bushalte zien we inderdaad wat oude muurresten.

Maar niet alles is verloren gegaan. We zetten de auto neer naast het moderne stadskantoor, gebouwd in 1990 en constateren, als we daar omheen wandelen, dat er nog een belangrijk deel van de oude gebouwen gespaard is gebleven. Ze behoren niet tot het hoofdgebouw want, zoals dominee Craandijk ons meldt: 'Het oude slot van Montfoort is gesloopt; de Franschen, die in deze streken zooveel onaangename herinneringen achterlieten, hebben 't in 1672 in de lucht laten springen. Wat er van over is, is een deel van de sterke voorpoort, die eens naar de opperhof leidde.'


Het kasteel van Montfoort was lange tijd in gebruik als gevangenis. 'Gij zoudt zoo niet zeggen.' Schrijft Craandijk. 'Het witte gebouw met zijn groote ramen rijst vriendelijk tusschen bloemen en heesters uit de gracht. (…) Trouwens, het is hier ook eigenlijk een opvoedingsgesticht, want het is de gevangenis voor jeugdige vrouwelijke veroordeelden. Hier wordt de straftijd doorgebragt der minderjarige meisjes, die om misdrijf zijn gevonnisd, maar hier worden ook de verwaarloosde kinderen opgevoed, die als bedelaressen of landloopsters opgroeiden, of misdrijven pleegden, zonder geacht te kunnen worden met oordeel des onderscheids gehandeld te hebben.'

De dominee roemt het vooruitstrevende en, voor die tijd zeker, milde regime: 'Het inwendige van het gebouw herinnert aan een kostschool (…) nergens tralies, of grendels, of zware knarsende sleutels. (…) De meisjes, op 't oogenblik 67 in getal, zien er frisch en gezond uit. (…) Het moet voor menigeen een zegen zijn geweest, onttrokken te worden aan de omgeving van zonde en ellende, waarin zij opgroeiden.'
Wel maakt hij zich zorgen over wat er met de meisjes gebeuren zal als ze eenmaal weer in vrijheid worden gesteld. 'Een gevaarlijke tijd is 't voor haar, als de deuren der gevangenis opengaan en zij op eens weer, in volle vrijheid, in 't midden der de maatschappij staan. Vrij maar met de onuitwisbare vlek van een vonnis. Mocht onze Tweede Kamer eens tijd vinden tot het bewerken van een goede wet, die den overgang tusschen gevangenis en vrijheid regelt.'

Inmiddels kennen we proefverloven en half open inrichtingen en zijn we daar, volgens sommigen, zover in doorgeschoten dat het wel weer wat strenger mag. In 1968 werd het Rijksopvoedingsgesticht in Montfoort gesloten. Op het terrein staat nu het nieuwe gemeentehuis en een complex seniorenwoningen. In het oude gedeelte is een restaurant gevestigd.



NB: Dit verhaal is geschreven in 2003 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van Vereniging Artishock in Soest  en op het Volkskrantblog


Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland, Utrecht - Zwolle, 1997
 
Links:


Website van kasteel Montfoort

Monfoort op Wikipedia 

Lokatie Montfoort op Google Maps 

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard



woensdag 30 november 2011

Wijk bij Duurstede 4 - Stadsmuren, een terras en de molen van Ruysdael

We verlaten het kasteelpark en slaan rechtsaf richting rivier. We lopen zo langs de restanten van de 15e eeuwse stadsmuur die hier voor een flink stuk bewaard is gebleven. Oorspronkelijk was de vesting voorzien van torens en vermoedelijk vijf stadspoorten. Van de torens resten nog twee ronde uitstulpingen in het restant van de stadsmuur, op de tweede, die bijna helemaal opgenomen is in latere bebouwing, heeft de beroemde molen van Ruysdael gestaan.

De enig overgebleven stadspoort dient nu als onderstel voor de korenmolen Rijn en Lek, maar om daar te komen moeten we eerst de Dijkstraat uitlopen, langs de Lek. Hier is de oude stadsmuur opgenomen in de hoge waterkering langs de rivier. De rest van de versterkingen rond Wijk bij Duurstede is in de 19e eeuw gesloopt.



'Fraaije riviergezichten zijn te genieten (…) van den koepel op den hoogen steenen muur (…) 't is daar heerlijk zitten in den stillen morgen of in den kalmen avondstond…', schrijft dominee Craandijk. En nog steeds is het terras op de kademuur een geliefde plaats om een kopje koffie, thee of iets sterkers te gebruiken. Je hebt er uitzicht op het haventje dat tegenwoordig voornamelijk de pleziervaart dient.

Wat verderop kun je het veerpontje zien gaan en '…de heuvels van Amerongen blaauwen in de verte waar de groene Betuwe met haar torens en dijken en boomgroepen en uiterwaarden zich voor ons uitbreidt.' We zien twee ooievaars met trage vleugelslag boven de huizen van het oude stadje opstijgen en naar grote hoogte cirkelen.

Als we weer opstappen is Wijk bij Duurstede tot leven gekomen. Antiek- en curiosawinkels en galeries hebben de deuren geopend voor het maandelijkse culturele rondje. Gerard koopt, in een zaakje vlak achter het terras, een mooie rode collectebus.


We lopen de Oeverstraat in, richting stadskern. Veel huizen in de stad dateren uit de 17e, soms zelfs 16e eeuw, maar die ouderdom gaat schuil achter 18e en 19e eeuwse voorgevels. Halverwege de straat springt de rooilijn terug voor een ondiep pleintje, achter een ijzeren hek. Hier staat een nog ouder gebouw, het st. Ewouds- en st. Elisabethsgasthuis, dat in de 14e eeuw gesticht werd door Willem, heer van Abcoude en Duurstede.

Eertijds was het een ziekenhuis, toen Craandijk het aan het eind van de 19e eeuw bezocht werden '…ouden lieden er opgenomen en kosteloos verpleegd, terwijl eenige anderen er "den kost hebben gekocht"…'. Hij trof er schilderachtige figuren: '…een oud-strijder van Waterloo en een bijna honderdjarige vrouw…' en '…een bejaard man en zijn dochter, van buitengewoon klein gestalte…'.

De oude muren zijn bedekt met een pleisterlaag en de voorgevel is voorzien van schuifvensters, maar inwendig zijn nog 14e eeuwse bouwdelen aan te wijzen. Het gasthuis is tot 1970 in gebruik geweest als bejaardenhuis, daarna is het opgedeeld in kantoren en woningen.

We wandelen door de Peperstraat, met nog meer aardige gevels, antiekwinkels en kunstzaken. Een bord nodigt uit tot een bezoek aan een café aan de Mazijk, een straat die je bereiken kunt via een smalle doorgang tussen oude muren. De Mazijk dankt zijn merkwaardige naam aan de muziek die de bisschop begeleidde op weg naar de kerk. We zouden nog meer cafés langs kunnen, misschien het museum kunnen bezoeken, maar dat doen we wellicht een andere keer.



NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps 


woensdag 23 november 2011

Wijk bij Duurstede 3 – Middeleeuwse wallen en stadsboerderijen

Al in 1300 kreeg Wijk bij Duurstede stadsrechten, zo'n honderd jaar later werden de eerste stadsmuren aangelegd. Van die versterkingen is niets meer over. Het stadje omvatte aanvankelijk ongeveer een derde van de huidige binnenstad, een soort taartpunt, begrensd door het huidige kasteelpark en de straten: Mazijk, Plantsoensteeg en Achterstraat.

Al snel bleek dat te klein en in 1450 kwam er aan noord- en zuidkant een uitbreiding en werden er nieuwe muren gebouwd in een onregelmatige ronde vorm. Je kunt er nu omheenlopen langs de Singel, het Walplantsoen, de Dijkstraat en Langs de wal. En dat is op zich een goed idee want je komt er een aantal bezienswaardigheden tegen.


Zoals gezegd liepen wij eerst naar de Markt. Daar staat het gemeentehuis uit 1662 met aan weerszijden een hardstenen waterpomp uit 1759. Daarbovenuit torent de imposante toren van de hervormde kerk. In de eerste helft van de 14e eeuw stond hier al een veel kleinere kerk, maar tussen 1459 en 1496 verbleef bisschop David van Bourgondië regelmatig op kasteel Duurstede en in 1486 gaf hij opdracht tot de bouw van een groter, meer representatief gebouw, met een enorme toren.

Van die plannen is niet veel terechtgekomen. De toren is nooit afgebouwd, net zo min als de kerk zelf waarvan het koor in 1579 bovendien door brand verwoest en nimmer herbouwd werd. Dominee Craandijk noemt het resultaat: '…een groote, ten deele merkwaardige Hervormde kerk, met zwaren, schoon gebouwden, maar onvoltooiden toren…'.



Vanaf de markt wandelen wij de Maleborduurstraat in om bij de volgende kruising rechtsaf de Achterstraat in te slaan. Op nummer 18 staat hier een stadsboerderij uit 1495 die waarschijnlijk de oudste bewaard gebleven boerderij in ons land is. Vanaf de middeleeuwen tot een eind in de twintigste eeuw was de landbouw en dan vooral de fruitteelt, de belangrijkste bron van inkomsten voor Wijk en zijn bewoners.

Er staan meer oude boerderijen in en om de stad, maar Achterstraat nummer 18 is veruit de oudste. Het is overigens een tamelijk bescheiden, witgepleisterd pand. Je zou het zo voorbijlopen als de VVV er geen bordje op had aangebracht.

We lopen de andere kant weer op, richting kasteel. De binnenstad van Wijk bij Duurstede is een aardige mix van oude en nieuwe panden. Waarbij de nieuwbouw meestal bescheiden van opzet is en de straatlantaarns een ouderwetse uitvoering hebben, zodat niets de historische sfeer verstoort. De inwoners houden daar zelf ook het oog op getuige de raambiljetten die protesteren tegen bouwplannen en er voor pleiten Wijk niet vol te bouwen.



We nemen een omweggetje door het kasteelpark. Het kasteel zelf is dicht. Volgens mijn informatie wordt het geëxploiteerd als zalencentrum voor bruiloften en partijen en zou je er op het binnenplein een kopje koffie moeten kunnen drinken. Maar niet op zondagochtend, misschien.

Nadat het kasteel in de 17e eeuw ontmanteld werd, sommigen zeggen door de Franse troepen, kwam het in bezit van de stad. De wallen werden deels afgegraven en omstreeks 1800 werd het ingericht als stadspark. Craandijk omschrijft het als een '…smaakvol aangelegd plantsoen, onder welks hoog en trotsch geboomte de bevolking der stad zich gaarne verpoost.' In 1911 werd op het kasteeleiland een muziektent geplaatst.

Als je om het kasteeleiland heenloopt kom je over een bruggetje dat de verbinding tussen de binnen- en de buitengracht overspant. Vanaf hier heb je goed zicht op de merkwaardige hofstede 'De Wildkamp'. Deze luxueuze boerenhoeve is gebouwd omstreeks 1800 in empire-stijl. Het hoge voorhuis is witgepleisterd en heeft een uitspringend balkon. Aan weerskanten wijkt de gevel terug en staan twee beelden in rondboognissen. Ze stellen Flora en Fauna voor. Tuinarchitect J.D. Zocher heeft bij zijn werkzaamheden aan het kasteelpark, in 1852, rekening gehouden met het uitzicht op dit opvallende pand.


NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps 


woensdag 16 november 2011

Wijk bij Duurstede 2 - Noormannen en bisschoppen

Dat er in Wijk bij Duurstede veel sporen van het verleden te vinden zijn was in het begin van de 19e eeuw al bekend. Aanvankelijk trok vooral de vondst van grote hoeveelheden dierenbotten de aandacht. Niet alleen van oudheidkundigen, maar ook van fabrikanten die er beendermeel van maakten.

'Reeds sedert eenige jaren hadden arme lieden in den winter steelsgewijze een stuksken brood verdiend met het opgraven van beenderen…' meldt Craandijk en '…niet minder dan 18000 mudden beenderen werden in korten tijd gevonden…', maar ook '…menig voorwerp van kunstvlijt…'.

Een overheidsdienst die zich met archeologische zaken bezighield was er nog niet, maar '…belangstellenden, waaronder vooral de predikant van de Veur van Zoelmond genoemd verdient te worden, trachtten te verzamelen wat te voorschijn kwam…'.


De grote hoeveelheid vondsten trok uiteindelijk landelijke belangstelling en in 1842 greep de overheid in. Er ging een opgraving onder deskundige leiding van start. Het was het begin van het grootste archeologische onderzoek van Nederland, dat in verschillende fasen tot in de jaren '80 van de 20e eeuw zou voortduren.*)

Men vond een groot deel van de vroegmiddeleeuwse haven van Dorestad terug en een grote hoeveelheid gebruiksvoorwerpen, munten en sierraden. Een deel daarvan is te zien in het Museum Dorestad, voorheen het Kantonaal en Stedelijk museum, aan de Muntstraat in Wijk bij Duurstede. Bovengronds is er niets meer van te zien, niet van de bloeiende handelsstad die er in de 9e eeuw ontstaan was, noch van de verwoestingen aangericht door de Noormannen. **)


Al tijdens de regering van Karel de Grote (742-814) hielden de '…gevreesde zeekoningen…' huis langs de kusten van de Noordzee. Karels zoon Lodewijk de Vrome stelde zelfs een Deense leenman aan, Harald, om Dorestad en omstreken te beschermen. Tevergeefs: 'Van 834 tot 837 werd de ongelukkigen stad viermaal geplunderd.' Tien jaar later nog een keer en in 863 voor het laatst.

Inmiddels begon de monding van de Rijn te verzanden, waardoor het voor vrachtschepen en Vikingen steeds moeilijker werd om landinwaarts te varen. Dorestad nam in belangrijkheid af en: 'In 949 bevestigde keizer Otto III het bisdom Utrecht in 't bezit van alles, wat het bezat "in de villa, eertijds Dorestad, thans Wijck genoemd."'

Een deel van de grond rond Wijk bleef echter in het bezit van de Duitse keizer. In 1256 kocht graaf Otto II van Gelre de voormalige keizerlijke vroonhof, een agrarisch complex gelegen aan de Markt, waar nummer 14 en 14a nog bekend staan als 'de Nederhof'. Otto gaf zijn bezittingen en de bijbehorende rechten in leen aan de heren van Abcoude, die omstreeks 1270 begonnen met de bouw van het kasteel.

Waarschijnlijk was het Zweder van Zuylen van Abcoude die een donjon liet bouwen met een zaalgebouw ernaast, omringd door een schildmuur. Die donjon, inmiddels een ruïneuze, maar nog steeds imposante, vierkante toren, staat op een eilandje, in een romantisch park, aan de zuidwestkant van het stadje. Hij wordt nu omringd door de resten van een latere bouwfase, die onder leiding van de Utrechtse bisschoppen tot stand kwam.


Tussen Utrecht en Gelre heeft lange tijd onenigheid bestaan over de zeggenschap over Wijk bij Duurstede. Uiteindelijk, zo meldt Craandijk, was het '… Jacob van Gaesbeek, den erfgenaam der Abcoudes, die na een voortdurende strijd met de Utrechtse kerkvorsten, in 1449 deze bezittingen aan het Sticht moest afstaan.'

In die jaren oefenden de bisschoppen de macht uit over een groot deel van de huidige provincie Utrecht, toen 'het Sticht' genoemd, en delen van Overijssel, Drenthe en Groningen, 'het Oversticht'. Zij waren niet alleen godsdienstige leiders, maar ook wereldlijke staatshoofden die rechtspraken, belasting inden enzovoort.

In de 15e eeuw ging dat niet zonder slag of stoot en de toenmalige bisschoppen David en Philips van Bourgondië vochten menig conflict uit met Hollandse en Gelderse troepen. Omdat de stad Utrecht partij trok tegen de eigen bisschop hield die regelmatig verblijf op slot Duurstede. Vooral David heeft veel aan het kasteel verbouwd, de grote ronde toren wordt naar hem de Bourgondische toren genoemd.



*) In het boek 'Dorestad – Een wereldstad in de middeleeuwen' door Annemarieke Willemsen (Walburg pers 2009) staat een verslag van de opgravingsgeschiedenis. De eerste archeologische onderzoekingen waren kleinschalig en er werd niet veel gedaan ter bescherming van de vindplaats. Eigenlijk werd er pas serieus opgegraven toen grootschalige nieuwbouwplannen, in de jaren '60 van de 20ste eeuw, de resten van Dorestad bedreigden. De opgravingen zijn in fases doorgegaan tot in 2008.

**) Dat de opgravingen te Wijk bij Duurstede het legendarische Dorestad blootgelegd hebben wordt door sommigen betwist. Zie bijvoorbeeld hier. De meeste historici houden het er echter op dat er weliswaar geen keihard bewijs is dat het hier Dorestad betreft, maar dat dat wel zeer waarschijnlijk is. De vondsten zijn inmiddels overgedragen aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waar een deel ook tentoongesteld wordt. 


NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997

Zie ook Wijk bij Duurstede op Wikipedia 


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps 

donderdag 6 oktober 2011

De Vecht 37 – Het Muiderslot

Als kind was ik, zoals veel kinderen, bijzonder geïnteresseerd in de riddertijd. Ik had het geluk dat bij ons in de straat een VIVO gevestigd was, een kleine supermarkt. Daar kon je, bij besteding van tenminste 5 gulden aan boodschappen, voor 25 cent extra, elke maand een nieuw boekje met de avonturen van Prins Valiant kopen.

Prachtige stripverhalen, getekend door Harold Foster. Ik heb er laatst nog weer eens een paar ingezien. De dappere prins bevecht middeleeuwse ridders, maar ook Romeinse legionairs, Hunnen en zelfs Indianen. Tegenstanders uit heel verschillende tijdperken, dus. Gelukkig strijdt hij ook met draken, reuzen, gigantische krokodillen en monsterlijke schildpadden. En hij woont in een echt kasteel.





Geen wonder dat mijn kinderlijk enthousiasme gewekt werd. Zo'n middeleeuws kasteel wilde ik wel eens van dichtbij zien. Het meest voor de hand liggende voorbeeld was het Muiderslot. Verschillende keren trok ik er dus, met mijn vriendjes, op uit met de bedoeling om per fiets van Soest naar Muiden te rijden.

Een ritje van hooguit 30 kilometer, maar voor mij en mijn metgezellen telkens weer te hoog gegrepen. Doorgaans werd het ons ergens ter hoogte van Bussum te machtig. Nu waren we toch wel erg ver van huis ! Rechtsomkeert dan maar weer.

Mijn 5 jaar oudere broer kwam uiteindelijk te hulp. Samen met hem ben ik dan toch een paar keer naar Muiden gefietst. Op het laatst kende ik de rondleiding zo'n beetje uit mijn hoofd.

Een aantal jaren geleden zijn we er weer naartoe gegaan. Nu met kleinzoon D. die toen al net zo'n belangstelling voor ridders had als ik indertijd. Heel veel bleek er niet veranderd te zijn. Nog immer kregen we menig oud-Hollands spreekwoord uitgelegd, waren de harnassen indrukwekkend en de bedden verbazend klein.



Met Gerard Kuit bekijk ik het kasteel alleen van uit de verte. Het is strategisch gelegen aan de monding van de Vecht. Vermoedelijk was het stadje Muiden er eerder dan het slot. Het ontstond in de 10e eeuw als vissersplaats en voorhaven voor Utrecht.

Kort na 1280 stichtte de Hollandse graaf Floris V het slot. Hij werd er later gevangen gezet en in 1296 vermoord, vermoedelijk bij een ontsnappingspoging. Het slot werd daarop, in opdracht van de Bisschop van Utrecht, verwoest.

Albrecht van Beieren liet het, rond 1370, herbouwen op de oude grondvesten. In de volgende eeuwen werden er aarden wallen en vestingwerken om het kasteel en later het hele stadje aangelegd. Het huidige uiterlijk en interieur van het Muiderslot dateert grotendeels uit de 17e eeuw.

In 1825 wilde de dienst Domeinen het bouwwerk voor de sloop verkopen. Koning Willem I stak daar een stokje voor. Rond 1900 werd het uitgebreid gerestaureerd onder leiding van P.J.H.Cuypers. Misschien iets te fantasievol, want in de jaren '60 werd een deel van Cuypers' toevoegingen weer verwijderd.



Op de website van het Muiderslot is te zien dat de rondleiding inmiddels uitgebreid is en dat er nu meer mogelijkheden zijn om op eigen houtje het slot te verkennen. 


Dit verhaal verscheen in 2009 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.




Tekening: Gerard Kuit

Foto's: Jan de Stripman

Bronnen: Prof. J.A.de Rijk – Wandelingen door Gooi- en Eemland 1905; Jac.P.Thijsse – De Vecht 1915; Monumenten in Nederland – Noord-Holland 2006

Muiden op Wikipedia

Het Muiderslot op Wikipedia

Muiden op Google Maps