Posts tonen met het label craandijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label craandijk. Alle posts tonen

vrijdag 14 mei 2021

De Lazarusberg

25 jaar Mejanderverhalen en tekeningen

Gerard Kuit en ik zijn al 25 jaar samen verhalen aan het maken. Om dat jubileum te vieren zijn we van plan een aantal afleveringen te bundelen in een boek. Dat zou hopelijk eind van dit jaar klaar moeten zijn. Op dit blog plaatsen we de komende maanden vast wat oude verhalen. 

Dit verscheen voor het eerst in de Artishockberichten in 1996. 


De Lazarusberg

Voor de historisch geïnteresseerden is dominee Jacobus Craandijk (1834- 1912) een belangrijk man. Samen met zijn vriend P.A. Schipperus, die aardig tekenen kon, wandelde hij vanaf de jaren '70 van de vorige eeuw door ons land. Van wat hij zag maakte hij uitgebreide beschrijvingen die, voorzien van de tekeningen van Schipperus, door uitgeverij Tjeenk Willink in Haarlem, in 8 delen tussen 1882 en 1888 uitgegeven werden.

Afgezien van bloemrijke omschrijvingen van het landschap en de dorpen, steden en merkwaardige gebouwen, die hij tegenkwam, gaf hij geschiedkundige wetenswaardigheden en beschreef hij wat er aan het eind van de vorige eeuw, met de opkomst van de industrie, aan veranderingen plaats had.

Een paar jaar eerder waren de eerste spoorlijnen in gebruik genomen. Voor het eerst was het de gewone man mogelijk om een dagje uit te gaan. Voor die tijd kostte het dagen om van de ene naar de andere grote plaats te reizen. Zelfs het net van trekvaarten, waarlangs de schuiten voeren, maakte het reizen niet veel sneller.

Een tocht van Amsterdam naar Den Helder duurde met de trekschuit 14 uur. Later kwam de stoomboot en duurde het toch nog 6 uur. In de jaren 1860 en '70 kwam het spoor en dat bekortte de reistijd zoveel dat je op één dag heen en weer kon en ook in de tussentijd nog iets leuks of nuttigs kon doen. Het werd dan ook snel populair om vanuit de stad op het platteland de spaarzame vrije dagen door te brengen.

In Craandijks tijd was dat nog alleen weggelegd voor de welgestelden en de middenstand. Bij zijn beschrijving van Hilversum vermeldt hij dat het met de gewone arbeider in die dagen nog niet zo goed gesteld was:

'De ten deele ongezonde arbeid (..) in slechte of gebrekkige fabrieken; de geestdoodende invloed van een aantal eentoonige bezigheden; het veel te vroeg gebruik van de kinderen en de mogelijkheid voor meisjes en vrouwen, om den ganschen dag bezig te zijn, tot schade van huisgezin en huiselijkheid (..) dit alles plaatste den Hilversumschen arbeider in een hoogst ongunstigen toestand, nog verergerd door den dwang, om zich in de winkels der patroons van hun benoodigheden te voorzien tegen bons, waarmede een deel van het loon werd betaald.'

En:

'...een donkeren vlek (..) die Hilversum ontsiert (..) het afstroomende regenwater, bij hevige stortbuien door de goten en riolen onmogelijk te verzwelgen, stort zich over de laagst gelegen gedeelten van het dorp en maakt daar vooral de woningen vochtig en ongezond, terwijl bovendien de met verwstoffen en onreinheid gemengde water uit de fabrieken slechts een gebrekkigen afvoer vindt en, nevens den inhoud der mestvaalten en privaten, den grond aanhoudend bederft. (..) de bezoeker (..) als hij de tijd en moed had, de treurige verblijven binnen te treden, waar honderden van fabrieksarbeiders hun droevig bestaan voortslepen, dan zou hij een lichamelijke en zedelijke ellende zien, dubbel stuitend bij de weelde en den vrolijken levenslust om hem heen...'

Kinder- en vrouwenarbeid, gedwongen winkelnering en milieuvervuiling, gelukkig zijn de tijden wel wat veranderd, hoewel sommige problemen gebleven zijn. De omgeving veranderde ook, dat zal geen verrassing zijn. Tegenwoordig heeft zelfs de meest eenvoudige fabrieksarbeider een eigen auto voor de deur en gaan zijn uitstapjes en vakanties heel wat verder dan in Craandijks dagen. Maar toch is het interessant om diens gangen na te gaan en te zien hoe Nederland er nu bij ligt. Al was het maar omdat je je eigen dorp met andere ogen gaat bezien.

In zijn wandelingen rondom Baarn, doet de dominee ook Soest aan:

'Soestdijk is spoedig gezien, al telt het ook meer dan negen huizen, zoals in de vorige eeuw.'

Daarmee is de kous gelukkig niet af, er is nog wel wat dat het waard is om bekeken te worden, zozeer zelfs dat hij het een '...klein, maar kostbaar edelgesteente, als een smaakvolle bloemruiker...' noemt. De geboren Soester in mij haalt opgelucht adem.

Er waren toen, behalve het '...voortreffelijke hotel Ubbink..', waarvan ik niet zou weten waar ik het zoeken moest, '..een aantal buitenverblijven (...) met prachtig hout, rijke bloemperken en schitterende waterpartijen...'.

Tsja, waar vinden we die heden ten dage ?

Volgens Craandijk zijn er een paar langs '...den Soesterweg...'.

Bedoelt hij daar de hoofdweg mee ? Welke huizen zijn daar meer dan 120 jaar oud ? Hij wandelt er ook niet echt langs, hij beperkt zich tot het beklimmen van het Lazarusbergje.

Ha, dat ken ik ! Daar verkwikt hij zich met '...het zigt over de golvende rogge- en boekweitakkers, waarboven de torens van Soest en in de verte Amersfoort zich verheffen, terwijl boven de bosschen daar ginds de Dom van Utrecht zich even vertoont en overal heuvels en boomen en huizen het rijke landschap stofferen.'

Dat klinkt geweldig, het is zeker 25 jaar geleden dat ik op dat bergje geklommen ben en ik kan me niet meer herinneren wat ik er toen gezien heb. Het ligt nog geen 5 minuten fietsen van mijn huis en op een heiige zomermiddag rij ik er heen. Bij Nieuwerhoek rechtdoor de Wilhelminalaan op, waar je bovenaan de bomen van het bergje al ziet liggen. Onderweg vraag ik me af welke huizen er al gestaan zouden hebben toen de dominee hier liep. Niet één ? Of misschien dat ene, dat er wat ouder uitziet? De meesten zijn nieuwer dan 100 jaar, dat kan niet missen. En de weg was toen natuurlijk niet veel meer dan een zandpad.

Bij het bergje, waarlangs de Hellingweg loopt, zakt de moed me wat in de schoenen. Er zijn links een heleboel huizen gebouwd. Rechts staat het 'van Arkel gesticht', ter verpleging van psychisch minder welgestelden. Maar bovenop en rondom het bergje, waar een aantal zandpaden overheen loopt, is het één en al bomen en struiken. Zou er vanaf de top überhaupt nog iets te zien zijn ?

Nee, dus. Tussen de begroeiing door is hier en daar een glimp van de omringende bebouwing te zien, een schoorsteen een dak van de nieuwbouw die er achter staat, meer niet.

Maar, er is een troost: Een groot deel van de '...golvende rogge- en boekweitakkers...' is verdwenen onder smakeloze nieuwbouw, wat er nog over is is beplant met maïs of ligt gewoon braak. Toch er is nog wel iets over van die enorme open ruimte, die vroeger doorgelopen heeft tot over de Eng naar Soest-zuid. En er loopt direkt achter de Lazarusberg een fietspad doorheen, dat best mooi is, naar de Waldeck Pyrmontlaan.

Als je die oversteekt en de parkeerplaats achter het nieuwbouwwijkje oprijdt, kun je nog een heel eind verder kijken. Over weilanden met een enkele boom erop, waaronder zwartwitte koeien een beetje schaduw zoeken. Daarachter laat de gemeente zien dat ze weinig waarde hecht aan dit stuk landschapsschoon midden in het dorp: Daar ligt het nieuwe gemeentehuis en het politiebureau, met daaromheen lelijke woonblokken op een 'toplokatie'. Daar bouwt men vrolijk verder aan nog meer lelijke woningen en statusobjekten.

Ik ga nog eens terug naar het Lazarusbergje als de bladeren van de bomen gevallen zijn. Eens zien of je dan de torens van Soest en Amersfoort en misschien zelfs die van Utrecht kan zien.


Noot: 

Kort daarop heeft de gemeentelijke afdeling voor Groen en Milieu de struiken op de top van het Lazarusbergje flink gesnoeid zodat er inderdaad, met name 's winters, meer van het uitzicht te genieten valt.

(De oorspronkelijke illustratie in de Artishockberichten was een foto overgenomen uit 'Geschiedenis en verklaring van de straatnamen in Soest' een deel uit de serie 'De straat waarin wij wonen' uitgegeven door Kruseman, te Den Haag in 1985. Hij gaf de Lazarusberg weer zoals die er rond 1900 bij lag. Voor deze nieuwe publicatie heeft Gerard een eigen impressie gemaakt van de Lazarusberg in die tijd.

Van Hotel Ubbink weten we inmiddels dat het een oudere naam is voor Hotel Trier, dat schuin tegenover Paleis Soestdijk stond. Zie ook het vorige hoofdstuk.)



woensdag 21 april 2021

25 Jaar Mejanderverhalen met tekeningen van Gerard Kuit

Het is dit jaar, 2021, 25 jaar geleden dat ik voor het eerst een verhaaltje schreef en er een tekening van Gerard Kuit bij plaatste. Dat was voor de Artishockberichten, het verenigingsblad van Artishock in Soest. Ik was een aantal jaren redacteur geweest van het blad en schreef aanvankelijk over de culturele activiteiten die door de vereniging georganiseerd werden. Na verloop van tijd wilde ik wel eens wat anders dan weer een mooi concert, of een interessante tentoonstelling aanprijzen. Ik begon stukjes te maken over de dingen die ik meemaakte, of die ik om me heen zag. Eén verhaaltje ging over een wandeling met mijn vrouw, langs Paleis Soestdijk.

In 1998 bundelde ik een aantal verhalen in een gefotokopieerd boekje. In het voorwoord schreef ik:

'Toen Elly en ik het eerste verhaaltje naar de redaktie brachten, stopten we even onderweg om een verjaardagskaart te kopen. Tussen de rekken met beertjes, muisjes en ander weemakend knuffelspul viel mijn oog op een kaart met een strak getekende afbeelding van paleis Soestdijk erop. Ik haalde hem uit het rek en zag dat hij getekend was door Gerard Kuit, een Artishocklid dat al jaren tot onze kennissenkring behoorde. Dat plaatje moest bij mijn stukje ! Toen het blad eenmaal gedrukt was, kwam ik Gerard bij toeval tegen en vroeg hem of hij het niet erg vond dat ik zijn tekening zomaar gebruikt had. Gelukkig vond Gerard het prima en al pratend kwamen we op het idee om samen te gaan werken.'

Dit is dat eerste Mejanderverhaal uit 1996: 

Soestdijk

Laatst ging ik met Elly, in het kader van, even een frisse neus halen op de zondagmiddag, een eindje om. We liepen de deur uit, voor het Paleis langs, sloegen rechtsaf, de laan langs het Baarnse bos door, naar de Naald. Daarna langs de Praamgracht weer terug.

Lekker weertje, alles mooi groen, mooie laan die Koningslaan, met aan weerskanten hoge bomen en van de ene kant uitzicht op de merkwaardige gedenknaald, van de andere kant op het paleis.

De Naald is een stenen obelisk van zeker 10 meter hoog, versierd met een gouden lauwerkrans en geplaatst in een door een ijzeren hek omringd perk. Hij is voorzien van een opschrift, waarin het Nederlandse volk de prins van Oranje dankt voor zijn moed tijdens 'de hardnekkige verdediging der posities bij Quatre Bras', aan de vooravond van de slag bij Waterloo. Aan weerszijden staat een kanon. Op de punten van het hek waren frisdrankblikjes geprikt en ijspapiertjes. We waren niet de enigen die er wel eens voorbij gingen.

Thuisgekomen zocht ik in mijn boekenkast naar informatie over de Naald. Tussen mijn boeken kwam ik een versleten en omslagloos deeltje tegen, van dominee Craandijks 'Wandelingen door Nederland'. De derde druk uit 1887 met wandelingen door NoordHolland en het Gooi. Twee hoofdstukken gaan over Baarn en omstreken, waarbij ook Soestdijk aangedaan wordt. Daar vond ik dat de Naald door architect Van der Hart is ontworpen en opgericht werd volgens een wet van 8 juli 1815. De kanonnen zouden uit 1830 dateren.

"t Zijn veroverde Belgische kanonnen, den opperbevelhebber tot aandenken geschonken' en herinneren aan de 'voortreffelijke leiding der krijgsbewegingen door den prins,' schrijft Craandijk. Ik berwijfel of het nog wel de oorspronkelijke kanonnen zijn, gezien de rubberbanden waar ze op rusten.

In voornoemde wet werd '...het domein Soestdijk in vollen eigendom afgestaan en opgedragen aan Z.K.H. den prins van Oranje, om aan den Nederlandsche armée in den persoon van haren opperbevelhebber een duurzaam blijk te verleenen van de hoogachting en erkentelijkheid, welke zij zich bij alle ingezetenen van het rijk verworven heeft, door haar moedig gedrag in den thans geëindigden veldtogt' (...)

'En waarbij tevens bepaald werd dat het jagthuis in goeden staat gebragt en gemeubileerd zou worden op koste van den lande.'

Wie dacht dat Soestdijk altijd al een koninklijk paleis was, heeft het dus mis. Het is van oorsprong een landgoed dat ooit toebehoorde aan de burgemeester van Amsterdam, Cornelis de Graeff van Zuid-Polsbroek. In 1674 werd het aan Prins Willem III verkocht, die er een nieuw jachthuis bouwde, nu nog te herkennen in het midden van het paleis.

Verschillende Oranjes brachten er de zomermaanden door en verbouwden en verfraaiden het landgoed. In de 18e eeuw werd het eerst door binnengevallen Pruisische troepen bezet en daarna weer door de Hollanders bevrijd. In 1795, tijdens de Franse bezetting onder Napoleon, werd alles verbeurd en tot nationaal eigendom verklaard. Het huis werd een tijd lang als logement gebruikt. Lodewijk Napoleon verbleef er in 1808 een paar weken. 'Tot onuitsprekelijke verveling van zijn hovelingen...', aldus Craandijk.

Vanaf 1815, na de nederlaag van Napoleon, werd het weer koninklijk en kreeg het zijn huidige uiterlijk met de brede gebogen zijvleugels. Craandijk werd er rondgeleid door een hoveling, graaf van Limburg Stirum, en verhaalt van de prachtige zalen met vele kunstvoorwerpen. Waaronder een aantal historieschilderijen van de toen populaire schilder Pieneman*), waarop de heldendaden van de Oranjes uitgebeeld werden.

Hij zingt ook lof van het door Zocher ontworpen park en roemt de opbrengst van de fruitkassen. We moeten er maar op vertrouwen dat Bernhard en Juliana er comfortabel wonen, ik heb het niet gecontroleerd.

Op het parkeerplaatsje tegenover het Paleis, aangelegd om de passant een blik op de vorstelijke eigendommen te gunnen, staat een bronzen beeldje ter ere van Christoffel Pullman. Craandijk beschrijft het zo: 'Wanneer we de prinselijke tuinen verlaten, om een weinig tot rust te komen in het voortreffelijke hotel Ubbink te Soestdijk, dan merken we aan het begin van den Utrechtschen straatweg (de tegenwoordige Biltseweg) vlak bij de brug over de Praamgracht, een eenvoudig, tamelijk leelijk, houten monumentje op, zwart geschilderd en met eenige attributen van den dood minder gesierd dan voorzien.'

Een prachtige volzin, met allerlei informatie over een situatie die allang niet meer bestaat. De inmiddels vierbaans autoweg gaat inderdaad over de praamgracht, maar van een brug is eigenlijk geen sprake. Voor de oplettende passant lijkt het er meer op dat er een sloot onder de weg doorgaat.

Hotel Ubbink ? Nooit van gehoord. De dichtstbijzijnde horecagelegenheid is Café-Restaurant-Snookercentrum Soestdijk, pal aan de weg gelegen, die nu Vredehofstraat heet. Het is een wat ouder gebouw, maar 120 jaar oud?

Verderop aan de hoofdweg had je vroeger het Oranjehotel. Dat was ook oud, een wit gebouw met een grijs dak en krullerige daklijsten. Jarenlang lag het er wat vervallen bij tot het plotsklaps gesloopt werd en vervangen door smakeloos vormgegeven verzorgingsflats.

Nog wat verder, aan de overkant, ligt hotel de Buitenplaats, dat momenteel te koop staat.**) Ook een ouder gebouw, dat er misschien al stond toen Craandijk voorbij kwam. En vroeger was er nog Hotel Eemland, waar nu de Stadhouderslaan, waarlangs de Naald staat, op de hoofdweg aansluit. Maar dat is al zover in de mist van mijn herinnering verdwenen dat ik niet meer zou durven zeggen of het oud genoeg was om de dominee onderdak te hebben kunnen bieden.

Het beeldje van Christoffel is inmiddels vervangen door een bronzen exemplaar. Craandijk meldt al dat het Utrechtsch Genootschap daar plannen voor had. Bij het beeldje staat niet wie die Christoffel was, maar aan zijn uitdossing en zijn geweer te zien was hij soldaat. Eén van onze jongens, zouden we nu zeggen.

'In den laten avond van 26 julij 1787...', vertelt Craandijk, vond er bij Soestdijk een treffen plaats tussen de Patriotten en de Oranjegezinden die elkaar in een burgeroorlog naar het leven stonden. 350 manschappen van de eerstgenoemde partij probeerden, onder bevel van kolonel van Kleinenberg, Soestdijk in te nemen. '... bij de brug stond een soldaat, Christoffel Pullman, die zich niet wilde overgeven en "voor den kop geschoten werd".'

In het daaropvolgende gevecht wisten de verdedigers van het paleis de aanval af te slaan: 'Door geweervuur en handgranaten bestookt, moesten de Patriotten afdeinzen, met verlies van 4 dooden, 20 gevangenen en 5 paarden...'


Noten:

*) Jan Willem Pieneman (1779-1853) was een bij de gevestigde orde mateloos populaire schilder van portretten en historiestukken. Hij bracht het tot direkteur van de Koninklijke Academie en kreeg opdrachten uit de hoogste kringen. Voor de avantgarde was hij het afschrikwekkende voorbeeld van megalomane, wansmakelijke, romantische, academische en heel verkeerde schilderkunst.

Voor generaties van schilders stond Pieneman dus model voor hoe het niet moest. Dit heeft zijn populariteit in onze tijd ook lelijk beïnvloed, pas de laatste jaren wordt zijn werk weer hier en daar tentoongesteld, bijvoorbeeld in de nieuwe vleugel van het Rijksmuseum in Amsterdam.

(In 2019, toen ik Paleis Soestdijk bezocht, hingen er nog schilderijen van Pieneman in de Waterloozaal. Het grootste schilderij, "De Prins van Oranje tijdens de slag bij Quatre Bras", uit 1824, beslaat de hele zijwand van het zaaltje. Voor zover ik kan zien is het niet meeverkocht met het Paleis maar nog steeds eigendom van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.)

**) Hotel de Buitenplaats is inmiddels verkocht, er is nu een kantoor in gevestigd. Het is in 1861 gebouwd in opdracht van zeekapitein H. Zeilstra en zijn vrouw Dirkje Otten en heette toen 'Zomerlust'.

Later heeft het nog enige tijd dienst gedaan als bankgebouw, de bankkluis moet nog aanwezig zijn. Het uiterlijk is een combinatie van neo-renaissance en jugendstil.

(Bron: Soest Monumentaal - uitgave van de Historische Vereniging-1991)

(In het lentenummer van 'Van Zoys tot Soest', het blad van de Historische Vereniging Soest / Soesterberg, dat verscheen in 2021, staat een artikel waaruit blijkt dat Hotel Ubbink hetzelfde is als Hotel Trier. In 1897 nam Casper Trier de horecagelegenheid over van Hendrik Ubbink. Hotel Trier, dat aan de Praamgracht lag, net in de gemeente Baarn, sloot de deuren in 1960 en werd in 1964 gesloopt.)

 

donderdag 6 februari 2020

De Zuiderzee – 62 – Het welvarende Purmerend


Dominee Jacobus Craandijk beschrijft, in zijn Wandelingen door Nederland van 1887, een tocht van Amsterdam naar Den Helder, met de trekschuit door het Noord-Hollandsch Kanaal. Hij heeft het over 'veertien of vijftien uren vol onuitsprekelijke verveling'.

Hij vind het landschap saai, vlak en kaal, '...zoals men verwachten kan van een landstreek, die voor het grootste deel uit drooggemaakte meeren bestaat.' Van de paar aardige stadjes en dorpjes onderweg krijgen de trekschuitpassagiers niet veel te zien. Over Purmerend schrijft hij niet meer dan dat het welvarend is. Pas als hij de duinen bij Schoorl ziet montert hij wat op.



Zover gaan wij voorlopig niet. Wij zitten nog in Purmerend, dat er op zondagochtend inderdaad welvarend uit ziet en ook erg stil en verlaten. Door de lege winkelstraten lopen we naar een kleiner pleintje waar aan de ene kant een groot kerkgebouw staat en aan de andere kant het Purmerends Museum. Dit is de kaasmarkt en ook hier is de nodige horeca, met terrasjes, maar koffie lijkt er nog niet te worden geschonken.

De kerk heeft een aparte vorm, achtzijdig, met op vier hoeken een uitgebouwde kapel. De onderste paar meter zijn versierd met banden van lichte en donkere baksteen. Het gebouw dateert uit het midden van de 19e eeuw en is de vervanger van een oudere Gotische kerk.

Het Museum, gevestigd in het voormalige raadhuis, heeft een bordes van waar men het volk toe kon spreken, met aan weerskanten een trap. Een gebeeldhouwd reliëf versiert de ruimte boven de deur en een aardig torentje, met carillon, bekroont het dak. Het werd in de 17e eeuw gebouwd, maar later flink verbouwd en gerestaureerd.

Naast het museum staat een kleiner gebouw met een wit torentje, in de grijze natuursteen boven de ramen zijn opschriften gebeiteld: 'Brandspuit' en 'Teekenschool'. Een aparte combinatie. Thuis zie ik in mijn monumentenboek dat het gebouwtje oorspronkelijk diende als kaaswaag.

We lopen een rondje om de kerk, langs een cafeetje dat 't Hoedje Van De Koningin heet, maar ook nog niet open is. Volgens het monumentenboek is het een voormalig koffiehuis en dateert het uit het begin van de 17e eeuw. Door de schoolsteeg komen we bij de weeshuissteeg, waar inderdaad, op de hoek, het oude burgerweeshuis staat, ingeklemd tussen moderne architectuur.

Boven de met een witte sierlijst omgeven ingangsdeur is een kleurig reliëf aangebracht met een verklarende tekst:

'In dit vernieuwd gebouw
Woont liefde, hulp en troost
Hier zorgt barmhartigheid
Voor het ouderlooze kroost

Er staat ook een jaartal bij, 1789, maar toen was het pand al 150 jaar oud. Nu wonen er geen arme weesjes meer, maar zijn er kantoren. De klanten van de grote supermarkt ernaast stallen hun fietsen voor de deur.

Maar niet op zondagochtend.






Tekening: Gerard Kuit 

Foto's: Jan de Stripman 

Bronnen: Monumenten In Nederland - Noord-Holland 2006; Jacobus Craandijk - Wandelingen door Nederland 1887; Google maps; Wikipedia en andere websites


woensdag 28 oktober 2015

De Zuiderzee 14 – Eemnes, langs drie kerken en een klooster...

Kerk van Eemnes-Binnen
Op een grillige april-morgen rijden Gerard en ik de Wakkerendijk op. Nog geen 10 minuten van huis parkeren we de auto bij het kerkje van Eemnes–Binnen. Dat ligt heel schilderachtig op een terpje dat uitsteekt in de polder. Zo te zien wordt het niet meer gebruikt, behalve dan het grindveld er omheen, als hondenuitlaatplaats.

Officieel heet dit kerkje de Pieterskerk, maar in de volksmond staat het bekend als 'het dikke torentje'. Boven de deur, onderaan de toren, is een groot raam met bovenaan de spitsboog een sluitsteen met het gemeentewapen. Op het eerste gezicht lijken er drie ridders op te staan, maar het gaat om 3 bisschoppen. Dit om het verbond met de bisschop van Utrecht te eren.



Kerk van Eemnes-Buiten


Sluitsteen met gemeentewapen
De dijk, het oude kerkje, de monumentale boerderijen, het ziet er allemaal uit alsof het er al eeuwen, onveranderd ligt. Maar Thijsse en Craandijk, de wandelaars van honderd jaar geleden, zouden vreemd opkijken van de hudige aanblik. In hun tijd liep de weg niet over de dijk, maar er achter, dus links als je van Baarn komt.

Om het voor de boeren makkelijker te maken, om hun koeien naar de polder te brengen, waren er doorgangen in de dijk, de zogenaamde mennegaten. Craandijk omschrijft het zo: '...talrijk zijn de breede insnijdingen, in den dijk gemaakt, om toegang tot de weiden en akkers te geven. De zijden dier doorgangen zijn met hout beschoten, en als het water dreigt, worden zij met de vloedplank gesloten.' De huidige asfaltweg is pas in de 20ste eeuw aangelegd.



St Nicolaaskerk
Onze volgende stop is bij de st. Nicolaaskerk. Er is hier, tussen de twee hervormde kerken aan de Wakkerendijk, een cluster van Rooms-katholieke bouwwerken. Een pastorie, een klooster, een school en een kerk. Het dateert allemaal uit de 19e en begin 20ste eeuw, toen de katholieken het in ons land weer wat makkelijker kregen.

Een klein stukje verder ligt de kerk van Eemnes-Buiten, een eindje van de dijk af, aan het eind van een straatje met oude huisjes. We wandelen er even rond, om wat foto's te maken, maar haasten ons terug naar de auto als er een regenbui losbarst.

Dit is het oudste deel van het dorp, de kerk is in de 15e eeuw gebouwd, de toren aan het begin van de 16e eeuw. De boerderijen dateren van de 17e eeuw en later.



'In het midden der 14de eeuw ontving de plaats, van bisschop Jan van Arkel, stedelijke regten', schrijft Craandijk, 'maar muren en poorten heeft zij nooit bezeten. Haar groote lengte bij zeer geringe breedte maakte den aanleg van wallen nagenoeg ondoenlijk, en de lage, gebroken landen, waarvan zij omringd was, gaven haar een geduchte natuurlijke sterkte.'

We rijden verder de dijk af, langs het gemeentehuis. Dat is een aardig, maar niet echt indrukwekkend gebouw uit 1880. Er is momenteel een horecagelegenheid in gevestigd.



Eemnes heeft lange tijd een haventje gehad, aan de Wakkerendijk, tegenover het Gemeentehuis. Het is in de 16e eeuw aangelegd, nadat de Eemnesservaart gegraven was, die het dorp met de Eem verbindt. Het café tegenover het Gemeentehuis heet nog steeds 'Schippers welvaren'. Het haventje is, in de jaren '30 van de vorige eeuw, gedempt. Op de website van de Historische Kring Eemnes is een maquette te zien.

De doorgaande weg buigt hier naar links, van de dijk af, naar het moderne centrum van het dorp. Wij rijden rechtdoor. We willen de hele dijk afrijden en zo dicht mogelijk bij de Zuiderzee zien te komen.  



NB: Dit verhaal is geschreven in 2012, voor het verenigingsblad van de Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit , foto's Jan de Stripman

Bronnen: Jacobus Craandijk – Wandelingen door Nederland 1879; Prof. J.A. De Rijk e.a. – Wandelingen door Gooi- en Eemland 1905; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Monumenten in Nederland - Noord-Holland 2006 ; Google maps en Wikipedia.





Mooi oude foto's en veel historische wetenswaardigheden op de website van de Historische Kring Eemnes 

Zoals de maquette van de haven

Zie op Wikipedia: Flevomeer  – Almere  – Zuiderzee  en Eemnes 



woensdag 3 juli 2013

Het groene hart 14 – IJsselstein, een oud stadhuis, een nieuw stadskantoor

Na de verwoesting van IJsselstein in 1417-18 werd er vanaf 1427 onder leiding van Willem van Egmond begonnen met het herstel, maar het nieuwe stadsdeel Nieuwpoort werd niet herbouwd. In de daaropvolgende jaren waren er herhaaldelijke belegeringen, zonder ernstige gevolgen. Maar in 1466 kwam er een twist binnen de familie van Egmond tot uitbarsting. De Gelderse troepen verwoestten onder leiding van ruwaard Johan van Egmond en met behulp van Utrecht opnieuw het stadje.

Op bevel van hertog Karel de Stoute, hertog van Bourgondië en stadhouder van Holland en Zeeland, kwam in 1470 een verzoening tot stand, maar na diens dood in 1477 gingen de IJsselsteiners en Utrechters weer los. In 1482 trok Jan van Montfoort op tegen het kasteel, in 1510 was er een belegering door Utrechtse troepen die het een jaar later nog eens probeerden in samenwerking met de Hollanders. Maar de bewoners van IJsselstein lieten zich ook niet onbetuigd.

Toen de Utrechters hun eigen bisschop, David van Bourgondië, in 1459 niet in hun stad toe wilden laten kreeg deze steun van Frederik van Egmond, heer van IJsselstein. Utrecht werd uiteindelijk zelfs ingenomen en Frederik was er korte tijd stadhouder, tot hij er door de Utrechters weer uitgesmeten werd. Pas onder Karel V, van 1523 tot '43 heerser over alle Nederlandse gewesten, kwam er een eind aan de vijandelijkheden. De meeste gebouwen in IJsselstein dateren dan ook van na 1550.


Van het ooit behoorlijk grote kasteel is alleen die ene vierkante toren overgebleven. De toren staat vlak buiten de binnenstad aan de overkant van de stadsgracht, achter een rijtje villa's die rond 1950 gebouwd zullen zijn. Een bruggetje leidt naar het kasteelterrein, maar op zondagochtend is het gesloten. Aan de achterkant is een braakliggend stuk grasland dat ook bij het kasteel gehoord heeft. Hoe omvangrijk het slot in eerste aanleg was weet niemand meer. Het kasteel van Arnout en zijn opvolgers werd immers in 1416 door gezamelijke Utrechtse en Hollandse troepen verwoest. In 1427 werd het herbouwd door Willem van Egmond.

Tot in de 16e eeuw bleef het slot in handen van de familie van Egmond, die ook graven van Buren waren. Toen Willem van Oranje trouwde met Anna van Buren kwam IJsselstein in het bezit van de vader des vaderlands. In de Franse tijd werden de bezittingen van de Oranjes in beslag genomen. Kasteel IJsselstein werd staatseigendom en deed in die periode een tijdje dienst als hospitaal.

Daarna kwam het leeg te staan, tot het gekocht werd door jonkheer meester Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten. Diens dochter bewoonde het toen Craandijk IJsselstein in 1874 bezocht. Het forse gebouwencomplex is dan echter al vervallen tot ongeveer de helft van zijn oorspronkelijke grootte. De dominee rept van '…een half vervallen muur en een paar bouwvallige ronde torens, rijk met klimop en andere woekerplanten begroeid…'.

Het deel dat nog wel bewoonbaar is wordt volgens hem echter goed onderhouden: 'Als mensenhand het niet verwoest dan kan het nog lang den tijd trotseren.' Het mocht niet zo zijn. Als Craandijks verslag in druk verschijnt is hij genoodzaakt een noot toe te voegen: 'Het kasteel te IJsselstein is in januari 1888 gesloopt.'


Stadhuis, IJsselstein - Foto: De Stripman
Als Gerard en ik vanaf de IJsselpoort de doodstille stad weer in wandelen komen we na een paar straten Elly en Esther weer tegen. Zij hebben op de hoek van de kerkstraat en de voorstraat een terrasje ontdekt en willen vast koffie gaan drinken. Gerard en ik gaan eerst nog een blokje om en wandelen de Utrechtsestraat door langs het voormalige stadhuis.

Vlak buiten de binnenstad is tegenover de Benschopperpoort een zachtgroen nieuw stadskantoor gebouwd. Het oude stadhuis dateert van 1568, het heeft een hardstenen bordes waarop het stadswapen is aangebracht. Het werd in 1873 bepleisterd en voorzien van nieuwe ramen in empirestijl, van 1974 tot '77 werd het gerestaureerd en weer ontpleisterd, de schilderachtige dakruiter is toen vernieuwd.

Een stukje verderop zien we Esther en Elly lopen. Het terras was nog dicht en dus wandelen we samen langs het waaggebouw, een tamelijk bescheiden classicistisch pand uit 1779 en het daarachter gelegen Cisterciënzerklooster Mariënberg. Er is een restaurant in gevestigd en met name de gevel aan de kant van de waag is het bekijken waard. De achterkant wordt grotendeels aan het oog onttrokken door een lelijk schoolgebouw van rond 1900. Het nog resterende deel van het klooster, dat eertijds veel groter was en lange tijd dienst deed als gasthuis, is 16e en 17e eeuws.


Aan het eind van de Benschopperstraat ligt de Benschopperpoort. Van deze middeleeuwse stadstoegang is nog minder over dan van zijn tegenhanger de IJsselpoort. Twee bescheiden muurtjes ter weerszijden van de brug over de gracht, meer is het niet. Als je hier naar links kijkt zie je de laat 19e eeuwse, neogotsiche Rooms katholieke st. Nicolaaskerk, en op de tegenoverliggende hoek, aan de andere kant van het oude vestingstadje, zie je de korenmolen de Windotter. Deze is in 1732 gebouwd op een restant van de stadsmuur en werd van 1984 tot '88 geheel gerestaureerd.

Als we daar foto's staan te maken komt er een meisje met haar vader voorgelopen. Verwonderd vraagt het kind: 'Waarom nemen ze nou een foto van de molen, pap ?' Wij Soesters hebben thuis geen molen, maar dat kan zo'n kind natuurlijk niet weten. *)

We voltooien onze rondwandeling langs het smalle grachtje dat hier zeer wijds de haven genoemd wordt en vinden bij terugkomst het terras aan de kerkstraat gelukkig geopend. We drinken er een lekker kopje koffie voor we de terugtocht naar huis aanvaarden.


*) Inmiddels is aan dit gemis een eind gekomen. Men heeft de reeds lang verdwenen molen 'De Windhond' geheel nieuw weer opgebouwd, op de Soester Eng.

NB: Dit verhaal is geschreven in 2003 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van de vereniging Artishock in Soest en op het Volkskrantblog. 


Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
 
Links:

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard




donderdag 27 juni 2013

Het groene hart 13 - Gevechten tussen Utrechters en IJsselsteiners


De plattegrond van IJsselstein is tamelijk overzichtelijk: een rechthoek, met een paar straten in de lengte en een paar overdwars. Men denkt dat die regelmatige opzet samenhangt met de verkaveling van het bouwland langs de IJssel, de langgerekte stroken waaruit de stad is opgebouwd komen overeen met het omringende boerenland.

In de hoek vlak bij het kasteel, dat net buiten de noordwestelijke zijde van de rechthoek ligt, staat de oude hervormde kerk. In de tegenoverliggende hoek staat de neogotische katholieke kerk. In het midden van de stad is het marktpleintje met het stadhuis en op de zuidhoek van de vesting staat een molen, op het laatste stukje stadsmuur dat overgebleven is.

Dominee Craandijk doet de bezichtiging van IJsselstein af in zeven regels, want: 'Het stadje zelf heeft men spoedig gezien.' Dat mag zo zijn, want het is niet groot, maar het is wel mooi en het heeft een zeer bewogen geschiedenis.




Wij wandelen om de kerk heen, richting IJsselpoort. Esther en Elly blijven hangen bij een rijtje winkels in de Utrechtse straat, Gerard en ik, die meer de ernst van onze onderneming voor ogen hebben, wandelen samen verder.

De IJsselpoort vormde tot 1950, samen met de Benschopperpoort, aan de andere kant van het stadje, de enige toegang tot de binnenstad. Pas daarna heeft men de verbinding met de overdwars lopende kasteellaan gemaakt, die nu de belangrijkste verkeersader vormt.

Eigenlijk is de IJsselpoort z'n naam nauwelijks waard, de echte poort is in 1852 gesloopt en vervangen door een van kloostermoppen gemetselde borstwering, aan weerskanten van de straat, waarop kleine neogotische siertorentjes prijken. Van een echte poort is dus geen sprake, maar de stadsgracht heeft hier een verbinding met de IJssel en zo is het toch een schilderachtig punt.

We bekijken het piepkleine wachtershuisje uit 1622, met zijn aardige trapgeveltje, dat links van de poort staat. Het diende tot 1972 als opslagplaats voor de brandspuit. Daarna werd het gerestaureerd, van een nieuwe, in oude stijl uitgevoerde, onderpui voorzien en nu biedt het onderdak aan de vrijwilligerscentrale IJsselstein. Rechts van de poort is de Kopierette en de Intercoiffure, links heeft een bewoner van een aangrenzend pand de beschikking over een romantisch terras aan het water.


Als we een gedenksteen staan te bekijken, die in de poortdoorgang is ingemetseld, stapt er een oudere heer van zijn fiets. Hij vraagt of wij weten waarom er twee hazen op de steen staan afgebeeld. Op ons ontkennende antwoord vertelt hij over een oorlog in de 15e eeuw waarbij de IJsselsteiners, met behulp van Gelderse troepen, de Utrechters op de vlucht wisten te jagen. 'Ze gingen er als hazen vandoor. En daarom heet het verderop ook Hazenveld. De burgemeester van Utrecht heeft die steen een jaar of tien terug onthuld, maar zij is gewoon gebleven voor een kopje koffie, hoor.'

Zo moet het met dominee Craandijk ook zijn gegaan, grap ik tegen Gerard als de vriendelijke IJsselsteiner zijn weg heeft vervolgd, hij kwam ook in contact met de lokale bevolking die hem allerlei wetenswaardigheden vertelde. Welke slag er met die steen precies herdacht is kan ik achteraf niet achterhalen.

Na de dood van Gijsbrecht van IJsselstein in 1344 hadden zijn opvolgers binnen de kortste keren weer mot met al hun buren. Met name de conflicten met de Utrechters waren bitter. Er werd over en weer geplunderd en gebrandschat.

Na de dood van Arnold van IJsselstein, in 1363, kwam het stadje via zijn dochter Guyotte in het geslacht van Egmond. Rond 1390 werden de versterkingen rondom IJsselstein uitgebreid. De stad werd bijna twee maal zo groot, het nieuwe deel dat ten zuidoosten van de binnenstad lag, heet nog steeds Nieuwpoort, maar het gaat nu schuil onder een nieuwbouwwijk.

In 1416 kreeg Johan van Egmond ruzie met zowel de Hollanders als de Utrechters die daarop in vereniging bijna een jaar lang het kasteel belegerden en uiteindelijk verwoestten. Het daaropvolgende jaar gaf Jacoba van Beijeren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, opdracht aan de burgers van Utrecht om IJsselstein tot de grond toe af te branden.

'Nauwelijks was in 1418 het heilige kerstfeest gevierd, of de burgers togen uit en verwoestten alles, en gaven in 't midden van de winter de schamele gemeente aan gebrek en koude prijs !', vermeldt Craandijk, die na vierenhalve eeuw nog van afschuw vervuld is door zo'n gewelddaad. Het moderne onderscheid tussen militaire en burgerdoelen werd toen nog niet gemaakt en oorlogstribunalen kende men niet. Burgers waren partij in de ruzies tussen hun heersers en vochten enthousiast en meedogenloos mee. 


NB: Dit verhaal is geschreven in 2004 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van de vereniging Artishock in Soest en op het Volkskrantblog. 


Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
 
Links:

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard




donderdag 20 juni 2013

Het groene hart 12 - IJsselstein, een middeleeuwse soap


Wanneer precies begonnen is met de bouw van het kasteel van IJsselstein is niet bekend. Vast staat dat er rond 1250 een Arent van IJsselstein resideerde. Deze wist in de tweede helft van de 13e eeuw zowel in conflict te komen met de bisschop van Utrecht als met de graaf van Holland. Het begon met gedoe rondom het slot van Vreeland, dat Arent en zijn broer Gijsbrecht van Amstel, niet af wilden staan aan de bisschop. Met behulp van graaf Floris V van Holland, werd het kasteel ingenomen. Arent werd gevangen gezet en moest in ruil voor zijn vrijheid een groot deel van zijn goederen aan Floris afstaan. Het is dus niet verwonderlijk dat we Arent en Gijsbrecht later terugvinden onder de samenzweerders tegen Floris V.

Arent overleed in 1291, zijn zoon Gijsbrecht erfde het kasteel. In 1296 werd geprobeerd Floris naar Engeland te ontvoeren. Het plan mislukte en de graaf werd vermoord. Oom Gijsbrecht van Amstel, was daar direct bij betrokken, maar ook neef Gijsbrecht van IJsselstein werd verdacht en kwam in moeilijkheden.

De twee werden opgejaagd door de wraakzuchtige getrouwen van de nieuwe graaf, de nog minderjarige Jan I. De oudste Gijsbrecht werd uit Nederland verdreven en zijn goederen werden verbeurd verklaard, ingepikt dus. Zijn neef werd gevangen genomen door Hubert van Vianen en opgesloten in slot Culemborg.


Mevrouw van IJsselstein, Berta (Craandijk noemt haar: 'Baerte'), die van zichzelf van Heukelum heette, wist het kasteel van IJsselstein een jaar lang te verdedigen tegen de troepen van Hubert van Vianen. Deze wou de belegering niet opgeven omdat op het slot ook zijn zoontje gevangen werd gehouden. Het kind was eerder, op slinkse wijze, door handlangers van de van IJsselsteins ontvoerd.

Toen die uiteindelijk door honger en gebrek het verzet moesten staken werd van de 16 mannen, die nog op het kasteel in leven waren, de helft onthoofd. Het was allemaal nog ver voor de conventie van Geneve en ook opsluiting in Guantanomo bay zat er toen nog niet in.

Zo kwam het kasteel in Hollandse handen. Na de dood van graaf Jan I, schonk zijn opvolger, Jan de II van Avesnes, het aan zijn broer Guy van Henegouwen. Die werd in 1301 bisschop van Utrecht en in de herschikking van bezittingen die daarop volgde wist Gijsbrecht zich weer van het slot meester te maken. In 1305 zitten hij en Berta weer prinsheerlijk op kasteel IJsselstein en verzoenen ze zich met graaf Willem III, opvolger van Jan II. Hun zoon Arnoud trouwt met Maria, de bastaarddochter van bisschop Guy.

Vervolgens is er even pauze in de middeleeuwse soap. In die relatief rustige tijd wordt werk gemaakt van het opbouwen van de stad IJselstein. Gijsbrecht stierf pas in 1344 en had dus de gelegenheid om een en ander goed aan te pakken. Hij stichtte in 1309 de kerk en legde de eerste versterkingen aan.


Na een vluchtige blik op de enige toren die nog van het kasteel overgebleven is wandelen we langs de stadsgracht naar Gijsbrechts kerk. De middeleeuwse vestingwerken rondom IJsselstein zijn bijna helemaal verdwenen. 'De hervormde kerk ligt vriendelijk tusschen 't plantsoen, dat hier den ouden stadswal heeft vervangen', schrijft Craandijk. Van het oorspronkelijke godshuis is, na een verwoesting in 1466, niets meer over. De kerk is na 1500 herbouwd in laat gotische trant.

De toren stamt van rond 1530 en vormt een overgang naar de renaissance, men denkt dat de Italiaanse architect Alesandro Pasqualini, waarvan bekend is dat hij in die tijd voor de heer van IJsselstein werkte, hem heeft ontworpen. Maar van zijn schepping staan alleen de onderste vier verdiepingen nog overeind. De spits brandde in 1568 af en na herbouw in de 17e eeuw, ging hij in 1911 opnieuw in rook op. De huidige bakstenen spits is ontworpen door M. de Klerk, aanhanger van de Amsterdamse school, en werd voltooid in 1928. De architect was toen al vijf jaar dood.

We lopen het portaal van de kerktoren binnen en horen dat de dienst in volle gang is. Binnen moeten twee prachtige grafmonument te zien zijn. Het ene daterend uit 1370 met levensgrote beelden van heer Gijsbrecht van IJsselstein en zijn vrouw Berta, hun zoon Arnoud (gestorven in 1363) en diens vrouw Maria van Henegouwen. Aan de voeten van de, in harnas gestoken, heren liggen leeuwen als symbool van moed, aan de voeten van de dames hondjes ten teken van trouw. Het tweede monument is voor Aleid van Culemborg, de in 1471 jong gestorven vrouw van Frederik van Egmond, heer van IJsselstein, die zelf pas in 1522 overleed. Ook hierop een beeld met een hond aan de voeten.

We willen de eredienst niet verstoren en wandelen weer naar buiten. We hebben trek in koffie, dus gaan we verder het oude stadje in, op zoek naar een café of restaurant .



NB: Dit verhaal is geschreven in 2004 en eerder gepubliceerd in de Artishockberichten, programmablad van de vereniging Artishock in Soest en op het Volkskrantblog. 


Tekening: Gerard Kuit
 
Bronnen: Wandelingen door Nederland, Utrecht - J. Craandijk, 1874; Wij trekken door Utrecht - Rinke Tolman, 1935; ENSIE lexicon 1952; Kastelengids van Nederland - Kransberg en Mils, 1979; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997
 
Links:

Oude foto's en historische informatie is te vinden bij Streekarchief Rijnstreek en Lopikerwaard