vrijdag 3 mei 2019

De Zuiderzee – 56 – Monnickendam, dichtgeslibde haven en grote kerk


We hebben allemaal wel eens gehoord van de problemen die de grote zeeschepen moesten overwinnen om de haven van Amsterdam te bereiken. Tegenwoordig varen ze door het Noordzeekanaal, maar dat kan pas sinds 1876. Daarvoor kwamen de schepen naar de stad via het Noordhollandsch Kanaal, dat vanaf 1824 beschikbaar was.
Straatje in Monnickendam
Voor die tijd moest men via de Zuiderzee de haven zien te bereiken. Een probleem was daarbij dat de toegang steeds dicht slibde en de koopvaardijschepen steeds groter werden. Men had nog niet de grote baggervaartuigen van nu, dus moesten er ander manieren worden verzonnen.

In de gouden eeuw, de periode dat de stad zijn grootste bloei kende, bleven de koopvaarders vaak steken bij de ondiepte van Pampus. (Vandaar het gezegde: Voor Pampus liggen, als je, al dan niet vrijwillig, gedwongen wordt tot inactiviteit.) Tot Meeuwis Meindertsz Bakker, in 1690, het scheepskameel uitvond. Dat bestond uit houten drijvers, die aan weerszijden van een schip gemanoeuvreerd werden en het vaartuig optilden, waarna het over de zandbanken gezeild kon worden.

Mooi, natuurlijk, maar ook duur. De Kleinere havensteden langs de Zuiderzee konden zich dergelijke oplossingen niet veroorloven en zagen hun havens dichtslibben en hun belang als handelsstad verpieteren. Jac. P. Thijsse schrijft dat men die voormalige havenstadjes wel 'dode steden' noemde. Hij vindt dat niet terecht.

'Monnikendam, Edam, Hoorn en Enkhuizen zijn volstrekt niet dooder dan een paar dozijn andere steden in Nederland met evenveel of zelfs nog meer inwoners en 't gaat niet aan, ze nu smadelijk te betitelen omdat ze vroeger grooter zijn geweest. En hun achteruitgang hebben ze zichzelf niet te wijten, want 't was toch wel onmogelijk, om de toegangen tot hun havens in de Zuiderzee zelve voortdurend maar te vergrooten en uit te diepen...'

Grote kerk - Monnickendam
Toch moet ook hij toegeven dat Monnikendam – hij schreef het meer dan 100 jaar geleden zonder de ouderwetse 'c' – zich van de zee afgewend leek te hebben. '...alsof de stad de ontrouwe zee de rug heeft toegedraaid.'

Als je nu vanaf Marken, over de zeedijk, naar Monnickendam gaat draai je, na een leuk ritje, langs het deel van de voormalige Zuiderzee dat de Gouwzee wordt genoemd, linksaf landinwaarts, eerst door een paar flatwijken, voor je bij het oude centrum komt.

Het eerste dat je ziet is een kerk die, wel wat vreemd, aan de rand van het oude centrum staat. Ook dat is een teken dat het de stad ooit beter verging. Thijsse schrijft: 'De beide kerken maken den indruk van buiten de stad te staan, de buurten er omheen zijn zo goed als verdwenen.'

Jacob van Lennep, die in 1823 in en om Monnikendam – ook zonder 'c' ! – wandelde, veronderstelt dat de kerk in het midden had moeten staan, maar dat de geplande bouw van de rest van de stad, door economische tegenslagen, niet door is gegaan.

De bouw van deze Grote of Sint-Nicolaaskerk begon aan het begin van de 15e eeuw. De kerk was bedoeld als vervanger van een voorganger die meer in het stadcentrum stond en waarvan nu alleen de Speeltoren nog resteert. Aan de grote kerk werd doorgebouwd tot 1644.Toen het laatste stuk van het schip voltooid werd moest de torenspits alweer vervangen worden. De kerk was inmiddels, vanwege de reformatie, van katholiek overgegaan naar protestants.

Gerard en ik rijden het oude centrum binnen en parkeren de auto vlak bij het sluisje. 



NB: Dit verhaal is geschreven in 2018, het is de laatste aflevering die gemaakt is voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. Volgende afleveringen zullen alleen hier, online, verschijnen. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.





Tekening: Gerard Kuit 

Foto's: Jan de Stripman 

Bronnen: Monumenten In Nederland - Noord-Holland 2006; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites


Het dagboekje van Jacob Van Lennep is te lezen en te downloaden bij DBNL.org via deze link 





zaterdag 6 april 2019

De Zuiderzee – 55 – Marken


De dijk die het voormalige eiland Marken verbindt met het vasteland komt uit op een parkeerterrein. Terwijl de wolken steeds dreigender worden laadt Gerard mijn rolstoel uit. Er parkeert vlak na ons een bus met toeristen, maar verder is het terrein vrijwel leeg. Op deze wisselvallige zondag, buiten het seizoen, is het rustig in Marken.



Net als ik in de stoel zit en we het dorp in willen lopen begint het te regenen. Gerard loopt terug naar de auto om een paraplu te pakken, die hij bij het openklappen in tweeën trekt. Wij laten ons niet tegenhouden, zo hard regent het nu ook weer niet. Ineengedoken, onder een regenscherm zonder handvat, hou ik het zelfs bijna droog.

Elke Soester kent de 19e eeuwse schrijver Jacob Van Lennep door een paar straatnamen, zelfs als hij of zij zijn boeken niet gelezen heeft. We hebben natuurlijk de Van Lenneplaan, maar ook de Ferdinand Huycklaan. De laatste is genoemd naar een roman van Van Lennep, waarvan een scène in Soest speelt.

In de herberg De Drie Ringen, te vinden in de kerkebuurt, achter de ouwe kerk van Soest, krijgt hoofdpersoon Ferdinand Huyck te maken met een paar bekkensnijders. Dat zijn bandieten die akelige dingen doen met messen, als je niet doet wat ze willen. Iedereen die de Joker kent, uit de recente Batman-films, weet hoe dat er uit ziet.

In de zomer van 1823, lang voor hij bekend zou worden als schrijver van bijvoorbeeld Ferdinand Huyck, maakte van Lennep, met zijn vriend Dirk Hogendorp, een wandeltocht van enkele weken door Nederland.

Marken - Zicht op de kerk
Hij beschrijft, in zijn dagboekje, dat onlangs opnieuw uitgegeven werd en waarnaar Gert Mak een TV-serie maakte, het eiland Marken als '...een moeras met verscheidene buurtjens en een voornamer dorp...'.

Het is, als je Marken vanaf de dijk ziet, een wonder dat het al die eeuwen boven water gebleven is. De daken van de groen-wit geschilderde houten huizen steken maar net boven de dijk uit.

Als Gerard en ik door het dorp lopen, zien we dat de verschillende buurtjes op iets verhoogde eilandjes zijn gebouwd. Het is er doodstil, afgezien van ons en het groepje toeristen, ze lijken me Frans te spreken, maar we sluiten ons niet aan bij hun rondleiding. We kijken zelf wel wat rond en maken foto's van de smalle straatjes rond de tamelijk nieuwe kerk, die ontsierd wordt door een nog nieuwere aanbouw.

De schippers die van Lennep en Hogendorp naar het eiland brachten maakten de bewoners wijs dat de bezoekers van koninklijke bloede waren. Hij schrijft: 'Men gaat van het eene dorp naar het andere langs smalle dijkjens waar men als de ganzen loopt, en welke als brij wegzakken onder de voeten. - In 't keeren naar het schip hoorde ik de lieden tegen elkander zeggen: kaik, dat is nou Zen Hooghait.'

Met zoveel egards worden wij niet ontvangen, maar gelukkig ontdekken we een café, ook een modern bakstenen bouwsel, dat open is en waar we voor de heviger wordende regen kunnen schuilen. De bewoners wagen zich op zondag niet buiten, maar de uitbater van 'De Omgekeerde Wereld' lijkt niet zo strikt in de leer.

Marken - Wilhemina brug
We worden bediend door een vrolijke jongeman, met krullend haar en een brilletje die, na het brengen van de koffie met appelpunten, een gezellig babbeltje maakt over het weer. 'Het wordt kouder,' beweert hij, 'Ik ga mijn schaatsen uit het vet halen.'

De regen is inmiddels overgegaan in hagel. Als we te kennen geven dat we op tijd terug bij de auto moeten zijn, omdat we maar voor een uur parkeergeld hebben betaald, pakt hij zijn smartphone erbij om met de weer-app te kijken of het snel droog zal worden. Wanneer de neerslag iets minder lijkt te worden wagen we het erop.

De paraplu zonder steel wil niet meer goed open, maar het is niet al te ver. Eenmaal terug in de auto bespreken we het vervolg van onze route. Het lijkt in de verte wat op te klaren, dus besluiten we in ieder geval nog door te rijden naar Monnickendam. Daarna zien we wel verder.




NB: Dit verhaal is geschreven in 2018, het is de laatste aflevering die gemaakt is voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. Volgende afleveringen zullen alleen hier, online, verschijnen. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit 

Foto's: Jan de Stripman 

Bronnen: Monumenten In Nederland - Noord-Holland 2006; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites

Het dagboekje van Jacob Van Lennep is te lezen en te downloaden bij DBNL.org via deze link 


Op de website van Geert Mak kun je alles vinden over zijn TV-serie 'De Zomer Van 1823'. 





vrijdag 1 maart 2019

De Zuiderzee – 54 – Van Durgerdam naar Uitdam

We rijden door Durgerdam, langs de Durgerdammerdijk, maar als we het dorp verlaten verandert de naam in de Uitdammerdijk. Het eerste stuk gaat kaarsrecht, langs weilanden met hier en daar een meertje, dat zullen wel overblijfselen van dijkdoorbraken zijn.


Wat verderop komen we aan een grotere plas, het Kinselmeer. De dijk kronkelt nu tussen twee wateren door, want rechts, buiten ons zicht achter de dijk, ligt het IJmeer. De wandelaars van vroeger zullen wel over de dijk gelopen hebben en meer uitzicht hebben genoten. Ik zit af en toe wat ongemakkelijk op de passagiersstoel, de weg is smal en door de bochten heb je niet altijd zicht op tegenliggers. Gelukkig zijn die schaars op zondagochtend.

Het Kinselmeer is ontstaan na de Sint Elisabethsvloed, in 1421, het is genoemd naar de dorpjes Grote en Kleine Keynsel die hier vroeger lagen. Volgens Wikipedia is niet helemaal duidelijk wanneer de dorpjes verdwenen zijn. Door dijkdoorbraken werd de bebouwing een aantal keren verplaatst. Tot in de 19e eeuw stonden ze op landkaarten, maar nu niet meer.

Uitdam
Het Kinselmeer werd ondertussen een stuk groter, door de stormvloed van 1825, toen het nabijgelegen verdedigingswerk De Stenen Beer werd verzwolgen door de Zuiderzee. Na de stormvloed van 1916 was de ontreddering in de nabijgelegen dorpen zo groot dat ze vreesden niet genoeg geld te kunnen opbrengen voor het herstellen van huizen en dijken. Uiteindelijk liet een aantal dorpen zich annexeren door de stad Amsterdam. Hierdoor ligt het Kinselmeer nu in de gemeente Amsterdam.

Uitdam - kerk


Het meer was vroeger populair bij dagjesmensen uit de grote stad en ook nu zijn er nog recreatieterreinen en is er een zeilvereniging actief. Aan het begin van de 20ste eeuw was er een zwemgelegenheid, De Badhoeve en er is nu nog een camping met dezelfde naam. Ik stel me voor dat er verwarring kan ontstaan met Badhoevedorp, maar dat ligt aan de andere kant van Amsterdam, in de Haarlemmermeer.

Een eindje verder komen we in Uitdam. Het is een nog kleiner dorp dan Durgerdam en ligt voor een deel op een smalle strook land tussen het IJmeer en de Uitdammer Die, oorspronkelijk een zeearm waar een klein riviertje, de Waterlandse Die, door stroomde.

De huizen staan hier wat verder uit elkaar en zijn ook deels van hout gebouwd. Het kerkje is zo klein dat je er zo voorbij zou rijden. Wij weten net op tijd te stoppen. We maken een paar foto's en wandelen over het piepkleine, betegelde speelpleintje, waar gebasketbald kan worden, naar de oever van de Die. We horen eendjes, smienten, fluiten, de zon schijnt prachtig tussen dreigende wolken door. Geen wonder dat natuurorganisaties hier weidegrond hebben aangekocht ten behoeve van de vogels...




NB: Dit verhaal is geschreven in 2018, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit 

Foto: Jan de Stripman 

Bronnen: Monumenten In Nederland - Noord-Holland 2006; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites

Citaat Nescio: 'Buiten-IJ' uit de novelle 'Mene Tekel', 1946





vrijdag 1 februari 2019

De Zuiderzee – 53 – De torentjes van Durgerdam


Nescio, de schrijver van 'De Uitvreter' en 'Titaantjes', wandelde graag en Durgerdam was een van zijn favoriete bestemmingen. '...Durgerdam, met z'n kleine huisjes aan den dijk en z'n twee kleine torentjes en wat kale bomen zwart daartussen en op de reede, heel klein, wat scheepjes, de masten staken schraaltjes in de lucht.'



Het dorp is gebouwd langs een bocht in de dijk, zodat het aan een baai lijkt te liggen. Het ene torentje, als wij er zijn, onder grijze wolken die voort geblazen worden door de wind, staat op een vierkant gebouwtje dat de Kapel wordt genoemd. Het is geen kerk maar was in gebruik als school en raadhuis. Zoals veel huizen en gebouwen in Waterland is het grotendeels van hout, het is gebouwd in de 17e eeuw.

Durgerdam dateert als nederzetting uit de 15e eeuw, het is de opvolger van het dorp Ydoorn, dat in 1422 door de St. Elisabethsvloed verzwolgen werd. Daarna werd er een dijk opgeworpen langs het Buiten-IJ, waarlangs zich vissers en schippers vestigden.

De naam Ydoorn leeft nog voort in de vuurtoren die ten oosten van het dorp op een versterkt eiland ligt. Dat maakte deel uit van vestingwerken ter verdediging van het IJ en Amsterdam, waartoe ook het forteiland Pampus behoort. De vuurtoren, niet meer dan een metalen skelet met een lamp erop, wordt 'lichtopstand De Ydoorn' genoemd.

Wij wandelen naast het hotel, met zijn cremewit geschilderde houten gevel, een smal straatje in, naar de kerk. Of liever, het kerkje, want erg groot is het niet. Het is wat men een zaalkerk noemt, een simpele rechthoekige ruimte, met een eenvoudig tentdak, ramen met rondbogen en een witgepleisterde voorgevel. Daarboven een klein torenspitsje.

Het is in de 19e eeuw gebouwd als opvolger van een 17e eeuwse voorganger die zo te lijden had van overstromingen en stormen dat hij vervangen moest worden. Bij de bouw zijn elementen van de oude kerk hergebruikt, zoals de preekstoel, de kroonluchters en de luiklok, die gegoten is door Pierre Hemony.

De donkergroen geschilderde voordeur staat open en er klinkt muziek. Gerard gluurt even door de opening, waarop er direct een man aan de deur komt die hem uitnodigt binnen te komen. Er is geen dienst gaande, zegt hij, ze zijn alleen wat aan het oefenen met het koor.

We slaan de uitnodiging vriendelijk af. We moeten verder, naar Marken en Monnikendam.




NB: Dit verhaal is geschreven in 2018, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit 

Foto: Jan de Stripman 

Bronnen: Monumenten In Nederland - Noord-Holland 2006; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites

Citaat Nescio: 'Buiten-IJ' uit de novelle 'Mene Tekel', 1946





vrijdag 4 januari 2019

De Zuiderzee – 52 – Naar Waterland


Een herfstige zondagochtend in november, er trekken regen- en hagelbuien over het land en Gerard en ik zijn weer op pad. Deze keer gaan we niet rechtsom, langs de kust van de voormalige Zuiderzee, maar linksom. Ons doel is het stukje kust ten oosten van Amsterdam en het eiland Marken.
Durgerdam - voormalige school en raadhuis

Volgens buienradar zou het een half uurtje na ons vertrek droog worden, dus de regendruppels onderweg trekken we ons niet al te erg aan. We nemen de A1 langs dorpjes en steden waar we eerder over schreven en tekenden, Eemnes, Naarden, Weesp. Bij Muiden gaan we nu onder de Vecht door – in plaats van er overheen – en zien we de nieuwe spoorbrug. Nog een keer onder het water, met de A10, door de Zeeburgertunnel en daar is onze afslag naar Durgerdam.

Jac. P. Thijsse wandelde hier, ruim 100 jaar geleden, en schrijft: 

'Vanaf den hoogen dijk zie je over heel het wazig Waterland heen met al zijn dorpen: Ramsdorp met den dikken toren, Zunderdorp, het spitse torentje van Broek, daarvoor wat daakjes en huisjes bij een blinkende plas; dat is Holysloot en heel in de verte een hooge dichte boomendgroep met een zwaren toren er boven, Monnikendam.'

Dat uitzicht ontgaat ons een beetje. Langs de A10 staan bomen, struiken en geluidswallen en eenmaal de afslag genomen dan is het de snelweg zelf die ons het zicht belemmert. Als we daar onderdoor zijn gereden blijkt dat de Durgerdammerdijk, zoals de weg hier heet, niet over de dijk maar er achter loopt. Naar links wordt het weidse uitzicht geblokkeerd door een volkstuinencomplex.

Maar als we daar dan voorbij zijn en met een grote bocht richting Durgerdam gaan, kunnen we hier en daar uitkijken over het lage weideland. We zien ganzen in het gras, meeuwen vliegen over en een torenvalk hangt te bidden boven de berm.

Durgerdam - hotel
Na een paar kilometer komen we in Durgerdam. Het is niet veel meer dan een rij huisjes langs de dijk maar, schrijft Thijsse:

''t Is een aardig visschersdorp, de huisjes en de haven, de werven, de taanderijen en de pakhuizen zijn even schilderachtig als in Volendam, maar de bevolking legt zich niet toe op het dragen van een opzichtig costuum. Zoo komt het dan, dat je hier nooit een Amerikaan en zelden een Amsterdammer te zien krijgt'

Tegenwoordig hoort het bij de gemeente Amsterdam, dus hoewel er nog steeds niet heel veel toerisme is, zijn de bewoners die je ziet, administratief bekeken, allemaal Amsterdammers.

We parkeren bij het hotel, om een paar foto's te maken en even de benen te strekken.







NB: Dit verhaal is geschreven in 2017, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit 

Foto's: Jan de Stripman 

Bronnen: Monumenten In Nederland - Noord-Holland 2006; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites






vrijdag 14 december 2018

De Zuiderzee – 51 – De havezaten van Vollenhove


Vollenhove staat bekend om zijn havezaten, maar wat zijn dat eigenlijk ? Volgens Wikipedia zijn havezaten te vergelijken met ridderhofsteden en worden ze, in het noorden van het land, ook wel borgen of stinzen genoemd. De term 'havezate' sloeg aanvankelijk, in de middeleeuwen, op een grote boerderij, een hofstede, met het land daar omheen. Later werd het de benaming voor een ridderlijk goed.


Dat wil niet zeggen dat de havezaten van Vollenhove de woningen van personen waren met een ridderorde. Maar de bewoners waren wel lieden die behoorden tot de Ridderschap en dat kun je een beetje vergelijken met de tegenwoordige Provinciale Staten.

In de meeste delen van de Verenigde Nederlanden had je van de 17e tot halverwege de 19e eeuw een college van edelen, de ridderschap, waarvan afgevaardigden stemrecht hadden in de Staten Generaal. Om tot de ridderschap te worden toegelaten moest je van goede afkomst zijn – dat betekende doorgaans: van adel – en in het bezit zijn van een havezate, ridderhofstad, borg of stins.

Als lid van de ridderschap had je bepaalde belastingvoordelen en andere voorrechten. Dat verschilde per regio, maar het maakte het lidmaatschap iets begerenswaardigs. Vandaar dat je in sommige gebieden veel havezaten of ridderhofsteden vindt. Veel lieden van adellijke herkomst probeerden daarmee toegang tot de ridderschap te verkrijgen.

Vaak gaat het dan om landhuizen, kasteelachtige gebouwen, in het buitengebied. Het aparte van Vollenhove is dat er daar nog een aantal in het stadje zelf zijn terug te vinden. Wij wandelden de bisschopstraat door en daar kom je er vier tegen, gewoon tussen de andere huizen. De namen staan op de gevels: Marxveld, Plattenburg, Lindenhorst en De Haare.

Het zijn voorname panden, nu meestal met een 18e eeuw uiterlijk, maar ze gaan terug op de middeleeuwse huizen van de borgmannen. Dat waren de edelen uit de entourage van de bisschoppen, die aan de haven het kasteel gebouwd hadden.

Een grotere havezate, Oldruitenborg, ligt wat verder weg. Dat is een vrijstaand gebouw in een ommuurd park. In dat park liggen ook nog de resten van kasteel Toutenburg, twee vervallen torens met een poort ertussen. Maar dat is ons net te ver lopen.

We komen nog wel langs de kleine of Onze Lieve Vrouwekerk, een 15e eeuwse, gotische kerk, die aan een klein pleintje halverwege de bisschopstraat staat. De witte lantaarn, de open spits van de kerktoren, is een 19e eeuwse toevoeging.  



NB: Dit verhaal is geschreven in 2017, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: Dr. L. van Egeraat – Het Onbekende Nederland 196?; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites

Een website met bijzonder veel informatie over Vollenhove, zijn geschiedenis en monumenten is: www.henkvanheerde.nl/vollenhove





De Zuiderzee – 50 – Het kerkplein van Vollenhove


De meeste mensen zullen bij Vollenhove denken aan Pieter van, maar het is ook een alleraardigst stadje aan de voormalige Zuiderzeekust. Gelukkig heeft men, bij de aanleg van de Noordoostpolder, hier een wat breder stuk water gepland, zodat je er ook een mooi zicht op hebt. 



De haven ligt nu vol met plezierjachten, maar Vollenhove was vroeger een vissersplaats. Jac. P. Thijsse noemt in zijn boek 'Langs de Zuiderzee' de garnalenpellerij en de ansjovispakkerij. Maar toen naderde het einde al, zoals voor alle vissersplaatsjes langs de Zuiderzee.

Het stadje wordt in de 10e eeuw voor het eerst genoemd. Een eeuw later werd er een versterkt huis gebouwd, waar nog wat later een kerkje naast verrees. In 1170 werd die eerste versterking door Bisschop Godfried van Rhenen vervangen door een echt kasteel, met gracht. Dat is nog te herkennen in de oude vissershaven, met middenin het eiland waar de burcht ooit op stond.

Rond het kasteel bouwden de belangrijkste personen uit de entourage van de bisschop, de borgmannen, hun huizen. Daaruit ontwikkelden zich in de 17e eeuw 13 havezaten, een aantal daarvan zijn nu nog in Vollenhove terug te vinden.

Na de ontruiming van Schokland vestigde een aantal Schokkers zich in de ruïnes van het kasteel. Gaandeweg werd de haven vergroot. De laatste resten van de burcht en de door de Schokkers gebouwde huisjes, werden in 1955 gesloopt.

Als wij er aankomen hebben we de pech dat een van de straten in het centrum opgebroken is. We werpen een blik op de Grote- of St. Nicolaaskerk, die waarschijnlijk de opvolger is van het oudste kerkje uit 1100. De zware 16e eeuwse toren staat los van de kerk en is vastgebouwd aan het opvallende stadhuis. Dat heeft een gevel met lichte en donkere banden, een galerij met zuilen en een uitgebouwd balkon.

Aan de rechterkant van het stadhuis staat de woning van de stadsbode, die sinds halverwege de 19e eeuw in gebruik is als herberg en later hotel-restaurant. Het stadhuis heeft sinds enige tijd ook een horecafunctie.

Een andere opvallende gevel aan het kerkplein is die van de Latijnse school. Het is een 17e eeuws pand waarvan de straatkant versierd is met zandstenen speklagen, ornamenten en bogen boven de kruisvensters. Het is later gebruikt als Franse school en kostschool. In een aanbouw aan de rechterkant zijn twee brede deuren met ronde bovenkant, voor één daarvan staan aan weerszijden rijk bewerkte stoepstenen uit de 17e eeuw. Volgens een klein uithangbordje wordt er antiek verkocht.



NB: Dit verhaal is geschreven in 2017, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: Dr. L. van Egeraat – Het Onbekende Nederland 196?; Jac.P.Thijsse – Langs de Zuiderzee 1915; Google maps; Wikipedia en andere websites

Een website met bijzonder veel informatie over Vollenhove, zijn geschiedenis en monumenten is: www.henkvanheerde.nl/vollenhove