donderdag 24 januari 2013

De Langbroeker Wetering 9 - Nederlangbroek en Walenburg

De fraaie woontoren van Lunenburg staat vlak bij het kruispunt van de Langbroeker Wetering met de weg van Doorn naar Cothen. We steken over en komen direct in de kern van het dorp Nederlangbroek. Samen met het wat verderop gelegen Overlangbroek vormde dit lange tijd de gemeente Langbroek.

De Prisma's 'Lexicon van dorpen en steden' zegt dat er in 1983 bijna tweeduizend inwoners waren, die in hun levensonderhoud voorzagen middels tuinbouw en enige industrie. Na recente gemeentelijke herindeling valt het dorp nu onder Wijk bij Duurstede.

Dominee Craandijk slaakt, na al het doorstane kastelengeweld langs de Wetering, de verzuchting dat: 'In Langbroek - wij zouden haast zeggen: "gelukkig" niets te zien is. Vriendelijk ligt de kerk met haar torenspits op het pleintje bij het kruispunt der wegen, maar van binnen heeft zij niets bijzonders.'

Zo is het nu na ruim 100 jaar nog steeds. Er zijn een paar huizen bijgebouwd, op wijkbijduurstede.nl geeft de gemeente, in het voorjaar van 2002, als bevolkingsaantal voor Langbroek het cijfer 2066, maar verder ligt het dorp nog even rustig en onopvallend langs de doorgaande weg *).

Het is gesticht na het graven van de wetering in de 12e eeuw. Toen is ook de eerste kerk van Overlangbroek gebouwd, het huidige exemplaar is deels 15e- deels 19e eeuws. De meeste woningen dateren van rond of na 1900, maar toch is Langbroek beschermd dorpsgezicht. Dat zal wel door de kastelen komen.


We zijn het dorp nauwelijks uit of het volgende fraaie voorbeeld dient zich al weer aan: Walenburg, in aanleg weer zo'n typsiche Langbroekerweteringse, alleenstaande toren. Omdat er in deze buurt zo veel staan raak je een beetje afgestompt. Maar stellen we ons nu eens voor dat dit bouwwerk bij ons, in Soest, bij de Kleine Melm aan de Eem zou staan. Omgeven door donker geboomte, met zijn stoere uiterlijk, verweerde muren met maar een paar kleine raampjes. We zouden er elke dag likkebaardend naar gaan kijken en ons trots op de borst kloppen om onze prachtige woontoren.

Helaas: hij staat in Langbroek. Niet dat de Langbroekers dat niet waarderen, maar jammer is het wel. Persoonlijk vind ik Walenburg misschien wel de mooiste toren van het hele stel. Dat maakt jaloers.


Maar ter zake: 'Voor ons ligt het donkere bosch van Sandenburg, dat zich ver in de rigting van de grooten straatweg uitstrekt en waartegen de rieten daken van schuren en hooibergen geestig afsteken.' Ja, ten tijde van Craandijk was het allemaal nóg mooier, dat weten we nu onderhand wel.

Maar de Walenburg stond er toen minder florissant bij, dat is dan weer in ons voordeel. 'Spoedig hebben wij nevens ons een laantje van sparren en jonge eiken en daarbij, in het akkerland, weer een van die kunstlooze vierkante torens (…). 't Gebouw ziet er tamelijk vervallen uit en wordt tegenwoordig alleen door duiven bewoond.'

De rond 1250 gebouwde toren, ooit het slot '…der heren Proijs en later de Ridders…' werd door de toenmalige eigenaar, de graaf van Lijnden van Sanderburg, zo'n beetje aan z'n lot overgelaten. Over zijn geschiedenis is niet veel bijzonders te vertellen behalve dat er een enorme reeks van eigenaren was voor het in 1803 gekocht werd door de van Lijnden van Sandeburgs.

Met zekerheid was er al sinds de 16e eeuw een huis, of misschien een flinke schuur, tegen de toren aangebouwd, die verder dezelfde indeling heeft als de eerder besproken Lunenburg. Een overwelfde kelder, die oorspronkelijk niet toegankelijk vanaf de begane grond, met daarboven een paar woonvertrekken.

In de tweede wereldoorlog leegden de Duisters de met zandgevulde kelders om ze als schuilkelder te kunnen inrichten, maar gelukkig werd Walenburg niet gebombardeerd, zoals Lunenburg. Na de bevrijding was de toren onder meer in gebruik als hammenrokerij en bonendrogerij.

In 1965 werd de toren gerestaureerd door E.A.Canneman, architect bij de Rijks Monumentenzorg, daarbij werd het bouwvallige huis bijna geheel opnieuw opgetrokken. Walenburg staat op een door een gracht omringd eiland. Op een tweede eiland is een door de vrouw van de restauratie-architect, E. Canneman - Philipse, ontworpen tuin aangelegd. Later huurden de Cannemannetjes de toren en gingen er wonen. De bofkonten…


NB: Dit verhaal is geschreven in 2002. De situatie ter plekke kan veranderd zijn...


Tekening: GerardKuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Prisma Lexicon dorpen en steden Benelux - 1984; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.

*) Volgens de website van de gemeente Wijk bij Duurstede staat momenteel het inwonertal van Langbroek op 2071 .

Op dezelfde site ook een pagina over Walenburg

Zie ook Wikipedia en Kastelen in Utrecht over Walenburg.

vrijdag 11 januari 2013

De Langbroeker Wetering - 8 – Lunenburg


‘Lunenburg is een fraaije, deftige plaats, met trotsche lanen en waterpartijen. (…) Maar het is er stil en doodsch. De vensters van het statige, moderne grijsgeele huis zijn gesloten. (…) Maar het zou nog altijd een bekoorlijke lustplaat zijn voor en aanzienlijke familie, vooral als de bijl hier en daar wat ruimte maakte in het al te digt begroeide plantsoen.’ Aldus dominee Craandijk in 1883.

Voor wie het huidige Lunenburg kent moet deze omschrijving vreemd overkomen. Een modern gepleisterd huis ? Lunenburg is toch die mooie bakstenen woontoren ? Dat klopt, maar zoals het er nu uitziet zou Craandijk het weer niet herkennen.



Oorspronkelijk bestond de ridderhofstad Lunenburg uit een vrijstaande vierkante woontoren, met muren van anderhalve meter dik, waarin kleine raampjes wat spaarzaam daglicht binnen lieten. De ingang was op de eerste verdieping en die kon je alleen bereiken over een houten brug, die in tijd van nood weggehaald kon worden.

De kelder, eigenlijk de begane grond, was alleen toegankelijk door een luik in de vloer van de eerste verdieping. Om deze donjon heen stonden woongebouwen, stallen en schuren. Het geheel was omgeven door een gracht en vormde zo een goed verdedigbare herenboerderij.

Al in de 14e eeuw wordt Lunenbrug genoemd. Eerst als eigendom van de Utrechtse familie Proijs. In 1375 komen we Aerent van Lunenburg Knape als eigenaar tegen. Later is het in bezit van het geslacht de Ridder. In 1750 komt het in handen van Frans Godard baron van Lijnden van Hemmen, in wiens familie het ruim 130 jaar zal blijven.


‘De toren was reeds bouwvallig’, schrijft Craandijk. ‘Thans schijnt hij gesloopt. Er is althans van den weg niets van te zien en de gelegenheid ontbreekt ons, om ons te vergewissen, of hij welligt achter het huis zijn grijzen trans nog verheft.’

Indien de dominee meer tijd had gehad dan had hij kunnen constateren dat ook achter het huis geen spoor meer van de oude versterkingen te vinden was. Algemeen werd aangenomen dat rond 1860 de toenmalige erfgenaam, J.H.F.K. van Swinderen, de hele boel had laten slopen en er een modern landhuis voor in de plaats gezet had.

In mei 1940 nemen Duitse militairen hun intrek in het landhuis. Gaandeweg de oorlog drinken ze zich door de voorraden in de wijnkelder heen, richten vernielingen aan en stelen zelfs de klok van het dak. Later biedt het geplunderde huis onderdak aan 20 fraters en 60 schooljongens, die uit de st Gregoriusstichting in Zeist, verdreven waren.

Omdat er nog legerwagens in het park geparkeerd staan wordt het landgoed, op het eind van de oorlog, door de geallieerden gebombardeerd. Na de oorlog is het huis enige tijd gebruikt als opslag voor fruitkisten.


In 1958 overlijdt de eigenaar, mr. Eibergen Santhagens, hij laat het landgoed na aan zijn secretaris Jacobus Kosterman. Deze is financieel niet in staat om het zwaar beschadigde huis te laten restaureren en vraagt, ten einde raad, een sloopvergunning aan.

Door de bombardementen is echter in het hoofdgebouw zwaar middeleeuws muurwerk aan het licht gekomen. Onderzoek leert dat de oude donjon nog in zijn geheel aanwezig is, onder de 19e eeuwse pleisterlagen. Met behulp van Monumentenzorg koopt de K.F.Hein Stichting het landgoed aan en laat de toren restaureren.

Naar voorbeeld van oude afbeeldingen wordt een nieuw huis opgetrokken, naast de oude toren die zijn houten trap en kantelen weer terugkrijgt. In 1971 wordt het geheel aangekocht door P. Fentener van Vlissingen die er met zijn gezin gaat wonen.

En zo staat de mooie toren van Lunenburg er al weer dertig jaar bij, alsof hij er al sinds de middeleeuwen in al zijn glorie zo gestaan heeft. In werkelijkheid waren zijn oude muren bijna honderd jaar aan het zicht onttrokken en danken we zijn terugkeer in de openbaarheid aan betreurenswaardige oorlogshandelingen. Maar, zoals een bekende Vinkeveense filosoof al zei: ‘Elk nadeel heb zijn voordeel.’


NB: Dit verhaal is geschreven in 2001. De situatie ter plekke kan veranderd zijn...

Een oude kennis wees me op een aflevering van de TV-serie 'Van Rossum vertelt', van RTV Utrecht. Daarin brengt historicus Maarten van Rossum een bezoek aan kasteel Lunenburg. De uitzending is terug te zien op de website.


Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.

Meer informatie over Lunenburg vind je op de website van gemeente Wijk bij Duurstede. 


En Wikipedia: Kasteel Lunenburg


donderdag 3 januari 2013

De Langbroeker Wetering 7 - Een ongekende kasteeldichtheid


Langs de Langbroeker Wetering staat een voor Nederland unieke reeks middeleeuwse versterkte huizen en woontorens. De moderne toerist kan er, op nog geen 8 kilometer rijden langs de vaart, een stuk of zes bekijken. Maar oorspronkelijk waren er nog meer. Als je vanaf Sterkenburg richting Langbroek rijdt kom je voorbij Molenstein en Rhodensteyn, tegenwoordig alleen nog boerderijen die de oude naam dragen.

Voorbij het dorp Nederlangbroek staat nog een oud poortje van de verdwenen ridderhofstad Groenesteyn. En wat verder van de wetering, maar binnen een straal van 10 kilometer, vindt je nog het huis Doorn, kasteel Moersbergen, de woontoren van Natewisch en het kasteel van Wijk bij Duurstede.

We kwamen al voorbij Rijsenburg, Weerdenburg, Rhijnestein en Hardenbroek. Maar dat is nog niet alles, want een klein stukje verder naar het noordoosten liggen nog kasteel Amerongen en bij Leersum het in de tweede wereldoorlog platgebombardeerde Zuylenstein en het huis Broekhuizen. Een ongekende kasteeldichtheid, waar we nog het nodige van te zien zullen krijgen.


Maar zoals gezegd: eerst komen we voorbij Molenstein. In Craandijks tijd stond hier een houten korenmolen, waar het landgoed zijn naam aan dankte. ‘Daar ligt het ouderwetse huis Molenstein, met zijn prachtige linde en het jaartal 1785, in zijn gevel. Daar herinnert een schuur met haar torenspitsje, in de vorm eener kapel gebouwd, aan de oude kapel van Hardenbroek, die eens ter plaatse heeft gestaan.’ De linde konden wij niet ontdekken, maar de kapelvormige schuur, de ‘duivenkapel’, zoals Gerard hem noemt, staat er nog steeds, middenin het weiland.

Er schuin tegenover ligt Leeuwenburg: ‘…een zeer aanzienlijk, smaakvol aangelegd en uitstekend onderhouden buitengoed…’ in 1657 gebouwd voor Gerard van Zoudenbalch. Van oorsprong niet middeleeuws, dus: ‘…ditmaal geen ridderhofstad, maar toch reeds in de vorige eeuw als een deftige lustplaats vermaard. Het fraaije roodsteenen huis is van trotsch geboomte omringd en daarachter ligt een groot bosch, dat tot de bosschen van Moersbergen doorloopt.’ En zo is het nu, na 120 jaar nog steeds.


Het volgende echte kasteel heet Hinderstein en dat is er weer een van het vertrouwde Langbroekse type: een in de 14e eeuw gebouwde, vierkante woontoren, waar in de loop van tijd het een en ander aan verspijkerd en vast gebouwd is. Het was ‘…van ouds een Gaesbeeksch leen. De stichter van het slot schijnt, blijkens het wapen, tot het geslacht van Wulven te hebben behoord.’

In 1375 wordt een Willem Suyrmond van Heyndersteyn genoemd. Halverwege de 15e eeuw was het kasteel in handen gekomen van Berndt Grauwert en nadien wisselde het nog een aantal maal van eigenaar. Het huidige uiterlijk dankt het aan ingrijpende verbouwingen in de 19e eeuw en een fikse restauratie tussen 1976 en ’89.

Het is een merkwaardige mix van middeleeuws en neogotiek, met een trapgevel en spitsboogramen, gedeeltelijk nog omringd door de oorspronkelijke slotgracht. ‘Met zijn bloemtuin en de hooge populieren, die in de nabijheid oprijzen, sluit het zich als een deftige huizinge aan de landkasteelen langs de Wetering aan, al staat het in omvang en luister bij anderen achter.’

Aan de overkant van de Wetering stond eertijds de ridderhofstad Rodenstein, in Craandijks tijd al een vervallen buitengoed. Hij vertelt dat het te koop stond, maar dat een van de weinige gegadigden aan een blik vanuit zijn koets genoeg had om te zien dat het niet aan zijn verwachtingen beantwoordde. ‘Met den eersten trein den besten spoorde de vreemdeling weer huiswaarts.’ Het huis moet spoedig daarna gesloopt zijn. De dominee meldt: ‘… een oude stalling en enkele hooge, verwilderde boomen. Dat is alles, wat aan de voormalige ridderhofstad herinnert.’

Maar niet getreurd, aan onze kant en maar een klein stukje verder ligt een van de mooiste woontorens van de streek. Het fraai gerestaureerde Lunenburg. Maar daarover meer in de volgende aflevering van onze reiskroniek.


NB: Dit verhaal is geschreven in 2001 en eerder verschenen in de Artishockberichten en op het Volkskrantblog, de omstandigheden ter plaatse zijn mogelijk veranderd.

Een groot deel van de hierboven genoemde kastelen is terug te vinden in de lijst van Nederlandse kastelen, op Wikipedia.

Hindersteyn heeft een eigen website.  De tuinen, met slangenmuur, kassen en doolhof zijn te bezoeken.

Tekening van het poortje van Groenesteyn: Gerard Kuit

Op de website van de gemeente Wijk bij Duurstede vond ik het volgende spookverhaal over Groenesteyn:
Vroeger, toen het kasteel nog in volle glorie aan de Wetering stond, werden 's avonds om 10 uur de deuren in het poortje afgesloten. Men zegt, dat eens op een warme zomernacht, twee meisjes uit het kasteel het poortje hebben geopend en naar buiten zijn geglipt om langs het water te spelen. Door een noodlottig ongeval, waarvan niemand de oorzaak kent, zijn ze te water geraakt en verdronken. Sindsdien deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat op warme zomeravonden de poort vanzelf open ging en twee schimmen doorliet, die daarna geruime tijd langs de waterkant in het gras werden gezien. Toch waren 's morgens, als de poortwachter naar buiten kwam, de deuren weer gesloten. En de bewoners van de omliggende boerderijen bezwoeren, dat ze de meisjes die nacht langs het water hadden gezien. De deuren zijn na de restauratie niet meer aangebracht.

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.




vrijdag 21 december 2012

De Langbroeker Wetering - 6 – Kasteel na kasteel


Op onze tocht, de 19e eeuwse dominee Jacobus Craandijk achterna, verlaten Gerard Kuit en ik Cothen. We nemen de brug de Kromme Rijn over, waarvan je nog een mooi uitzicht hebt op kasteel Rhijnestein en slaan de Graaf van Lijnden van Sandenburgweg in, de provinciale weg richting Utrecht.

Na een paar kilometer stoppen we bij een parkeerplaatsje. Hier ligt, in het bos verscholen, kasteel Hardenbroek. Tussen de bomen door kun je een glimp van ‘…de kloeke voorgevel…’ opvangen. Ook dit is een van oorsprong middeleeuws bouwwerk. In de oostelijke zijgevel zijn delen opgenomen van een 13e eeuws rechthoekig zaalgebouw.


Het doet zich overigens voor als een strakgetrokken, 18e eeuws, deftig buiten. Momenteel wordt het weer bewoond door de eigenaars, de familie van Hardenbroek – Snouck Hurgronje. Van 1938 tot ’42 was er het museum van de Stichting Nationaal Centrum gevestigd. Daarvoor is het zo’n 20 jaar verhuurd geweest aan de Nederlandse Christen Studenten Vereniging.

Volgens Craandijk ‘…was het omstreeks 1250 door een edelman uit het geslacht van Wulven gesticht en de tegenwoordige baronnen van Hardenbroek zijn in regte lijn uit dat geslacht gesproten…’. En hij merkt op dat Hardenbroek als ‘…eenige huis in den lande welligt, bijna altijd in den handen van den stam des stichters is gebleven.’ De dominee krijgt ‘…vergunning om kennis te nemen van de talrijke familieportretten, waaronder van groote kunstwaarde en van eerbiedwaardigen ouderdom…’


Wij slaan een stukje verder een kleinere weg in die ons weer terug voert naar de Wetering. Zo passeren we een kasteel zonder het te zien: Weerdesteyn, een eenvoudige vierkanten toren gebouwd omstreeks 1300. Bij het gebouw hoort een 17e eeuws poortje en een boerderij uit 1876.

Het geheel ligt verscholen tussen bossen en weilanden en is alleen over onverharde wegen te bereiken. Dat was ook al zo toen de dominee hier wandelde, al had de toenmalige eigenaar, baron van Wijckersloot, de toren toen net een beetje opgeknapt. De baron woonde echter in Brussel en bezocht zijn Langbroekse bezittingen alleen in het jachtseizoen.

Craandijk zegt in de verleiding te komen om ‘…romantische en geheimzinnige geschiedenissen te verbinden aan den eenzamen toren.’ Maar concludeert vervolgens ‘…dat de nuchtere waarheid wel zal zijn dat Brussel meer aantrekkelijks heeft dan Weerdestein…’.



Het eerstvolgende kasteel, dat we wel te zien krijgen, is het mooie Sterkenburg. Craandijk wandelde hier over ‘…een kleiweg met hooge populieren…’, wij zoeven over asfalt, tussen de malse weilanden door. We nemen een bruggetje de Wetering over, gaan een klein stukje linksaf en we zijn weer terug op het grondgebied van Driebergen-Rijsenburg, bij de oprijlaan naar Sterkenburg.

Ook dit kasteel heeft een middeleeuwse toren, de onderste twee verdiepingen dateren uit de 13e eeuw, maar deze toren is rond, als enige in de omtrek. Met zijn nepkantelen die gedragen worden door een rondboogfries, dat herinnert aan de middeleeuwse werpgaten, mezekouwen, die vroegere kasteeltorens bekroonden, maakt hij een robuuste indruk. Het huis dat er tegenaan gebouwd is ziet er veel vriendelijker uit en stamt uit 1848, net als de vierkante toren, die aan de andere kant een soort tegenwicht vormt voor de ronde donjon.

Een jaar of 10 geleden ben ik er eens binnen geweest. Het kasteel werd toen verhuurd als studentenhuis en een kennis van mijn zuster Marieke huurde er twee kamers. Het was er een gezellige rommel met fietsen en wasrekken in de gangen en een schildersatelier in de grote zaal. Inmiddels is de eigenaar bezig met een restauratie en ik las onlangs dat hij het huis beperkt open stelt voor publiek. In een weiland vlakbij staat een bakstenen duiventoren uitgevoerd in neogotische stijl die gebouwd is rond 1850. Het in Engelse landschapsstijl aangelegde park rondom Sterkenburg dateert ook uit die tijd.

‘Sterkenburg was vroeger een afzonderlijke gemeente en vanouds een aanzienlijke heerlijkheid,’ vertelt Craandijk. Het kasteel werd toen bewoond door mr. K.J.F.C. Kneppelhout, die het eerder zo uitgebreid liet verbouwen. ‘…alles is goed in stijl gehouden en de roodsteenen muren vertoonen zich kloek en statig, zonder dat de pleister hun het ernstig karakter ontnomen heeft.’

Het huis wordt omgeven door een gracht waarover een brug met twee verdiepingen ligt, de bovenste verdieping voor de kasteelheer en zijn familie, de onderste geeft het dienstvolk direct toegang tot de kelder en keuken.

Nazaten van Kneppelhout, de familie Steengracht van Oostkapelle, bezitten nog steeds het landgoed, met uitzondering van het kasteel. Zij bewonen de verbouwde oranjerie die achter het kasteel gelegen is.


NB: Dit verhaal is geschreven in 2001 en eerder verschenen in de Artishockberichten en op het Volkskrantblog, de omstandigheden ter plaatse zijn mogelijk veranderd.


Tekening van Sterkenburg: Gerard Kuit (boven) en Jan de Stripman (onder)

Meer informatie op Wikipedia: Hardenbroek - Weerdestein en Sterkenburg  

Sterkenburg wordt momenteel verhuurd als vergader- en trouwlocatie en als bed & breakfast. Zie www.kasteelsterkenburg.nl

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.

vrijdag 14 december 2012

De Langbroeker Wetering - 5 – Werkhoven en Cothen



Op zijn tocht langs de Langbroeker Wetering wandelde dominee Craandijk in 1883 van kasteel Beverweerd, door het bos, naar ridderhofstad Sterkenburg. Maar ‘… behoeven wij niet al te zuinig te zijn met onzen tijd, dan kunnen wij het dorp Kothen, dat met zijn kerk en zijn molen voor ons in het groen ligt, nog wel bezoeken…’.

Omdat ook Cothen een kasteel heeft lijkt die omweg ons een goed idee. We nemen dus het bruggetje over de Kromme Rijn, steken de provinciale weg van Utrecht naar Wijk bij Duurstede over en belanden in Werkhoven. Want het kerktorentje, dat wij vanuit het park van Beverweerd zagen, was van dat dorp. Cothen ligt al gauw een kilometer of 10 verderop. Verwarring ligt echter op de loer want ook hier is een molen, ‘Rijn en weerd’, gebouwd in 1882, dus nog spiksplinternieuw in Craandijks dagen.

We besteden niet al te veel aandacht aan het dorp, vooral omdat er carnaval gevierd wordt en daardoor de hoofdweg deels is afgezet. Na een omleiding door een tamelijk nieuwe woonwijk komen we toch midden in de optocht terecht. Echt problematisch is dat niet. Een paar in boerenkiel gehulde en met brandgevaarlijke pruiken getooide jongeren staan ons, met een glas bier in de hand, vriendelijk toe te lachen, terwijl wij onze weg zoeken langs het handjevol versierde boerenkarren. Verwonderd, vrolijk, en lichtelijk verward laten we het dorp achter ons.





Thuis gekomen leer ik dat Werkhoven een zeer oude nederzetting is. Dat de kerk al in de 9e eeuw gesticht is en een oude Romaanse toren heeft. Ook het schip van de kerk is Romaans, het heeft een 12e eeuwse oorsprong, maar er is later veel aan verbouwd. Het dorp ligt aan een oude zijtak van de Kromme Rijn, die de Achter Rijn genoemd wordt.

Een stukje buiten het dorp lag ooit het kasteel Weerdenburg. We rijden er ongemerkt aan voorbij. Als we de juiste landweg gevonden hadden, zouden we geconstateerd kunnen hebben dat er op het omgrachte terrein nog een boerderij uit 1672 staat, waarin delen van de oude voorburcht opgenomen zijn. Nu nemen we de weg richting Cothen die op enige afstand de loop van de Kromme Rijn volgt.

Een paar grote lussen voeren ons, tussen weilanden en boomgaarden door, langs een vierkante, grijs gepleisterde watertoren, die particulier bewoond wordt. Daarachter staat midden tussen de weilanden de in 1959 gebouwde Priorij Gods Werkhof. Het ligt er een beetje merkwaardig in het groene landschap, een rood bakstenen complex met een klokkentorentje, gebouwd door de zusters Augustinessen. Het geeft wel aan, samen met de carnavalsactiviteiten, dat het Rooms Katholicisme in deze streek de boventoon voert.


Uiteindelijk bereiken we Cothen, rijden het dorp door en er bijna weer uit voordat we achter de huizen kasteel Rhijnestein ontdekken. We parkeren de auto op een parkeerplaatsje niet ver van de kerk en proberen dichter bij het kasteel te komen.

Het eerste weggetje dat we inslaan loopt dood tussen de huizen, bovendien ligt de rivier tussen ons en het kasteelterrein. We lopen een stukje terug de hoofdweg in en om het aardige kleine kerkje heen. Dit oudste deel van Cothen, met zijn lage monumentale huisjes langs de doorgaande weg, is een beschermd dorpsgezicht.

Met de bouw van de kerk is vermoedelijk rond 1200 begonnen, een brand in 1673 en latere herbouw bepalen nu het uiterlijk van het gebouwtje. Een bord met een pijl wijst ons een bruggetje over, naar een schilderachtig poortgebouw, waarachter het eigenlijke kasteel gelegen is. Een ander bord met ‘Verboden toegang’ verspert ons de weg en als we toch stiekem onder de poort door willen loeren komt er ook nog net iemand naar buiten. We voelen ons enigszins betrapt, maar de bewoonster, die zo te zien met de was bezig is, staat ons genadig toe een paar foto’s te maken.

Craandijk schrijft dat Cothen behoorlijk oud is, ‘…Karel de Groote schonk het aan de kerk van Utrecht…’. Van het kasteel ‘…is nog een kloeke poort en een vierkante toren gespaard en sedert enige tijd met zorg gerestaureerd. ’t Is tegenwoordig een fraaije buitenplaats…’

Die oorspronkelijke toren, net als het poortgebouwtje daterend uit de 14e eeuw, staat vanaf de poort gezien aan de rechterkant van het gebouw. Het aangrenzende deel is in 1873 gebouwd en de linker toren pas in 1887, alles in opdracht van de toenmalige eigenaar de heer W.A. van Beeck Calkoen. De tuin langs de rivier is in 1910 aangelegd naar ontwerp van L.A.Springer.

Hongerig geworden besluiten we in de plaatselijke lunchroom, zeer rustiek gevestigd in het kleine voormalige raadhuis uit 1881, een broodje kroket en een kopje koffie te gaan nuttigen. Vanuit het restaurantje hebben we uitzicht op de bakstenen stellingkorenmolen ‘Oog in ’t zeil’ uit 1870.


NB: Dit verhaal is geschreven in 2001, voor het programmablad van vereniging Artishock in Soest, en eerder verschenen op het Volkskrantblog. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit

Links op Wikipedia:
Ook dominee Craandijk is sinds kort te vinden op Wikipedia 

Overige links:
Werkhoven hoort bij gemeente Bunnik 
Cothen maakt deel uit van gemeente Wijk bij Duurstede 

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.


woensdag 5 december 2012

De Langbroeker Wetering 4 – Beverweerd



Een smal weggetje evenwijdig aan de Kromme Rijn, die buiten het zicht achter het weiland aan de linkerkant stroomt, voert ons naar het bos bij Beverweerd. Tot voor kort stonden er flinke eiken langs dit laantje maar die zijn niet lang geleden gekapt. Gerard veronderstelt dat ze ziek waren, maar we zien maar één rotte stam tussen de trieste stompen.

We parkeren de auto tegenover het toegangshek van het kasteelterrein. Er tegenover loopt een onverharde weg door het bos naar de Wetering. Dominee Craandijk omschrijft de omgeving zo: ‘Daar vinden wij lange lanen van eiken en iepen, linden en sparren, heen leidend om het uitgestrekte park, dat met een zwaar en kostbaar hek is afgesloten.’



Als we het hek doorlopen, een groot deel van het terrein is opengesteld voor wandelaars, zien we links een aantal licht gepleisterde gebouwen. Een ervan is het koetshuis uit 1847, het heeft grote deuren, een torentje en is versierd met gebeeldhouwde paardenkoppen. De andere lage, witte panden dateren uit het midden van de 20e eeuw toen het kasteel in gebruik was als internationale school.


De oorsprong van het kasteel ligt heel wat eerder. ‘Op het einde van de 13e eeuw wordt voor het eerst een edelman met den naam van Beverweert genoemd, en wel heer Zweder, ridder…’. Zweder sneuvelt in 1304 op het slagveld en zijn familie raakt het kasteel kwijt aan het geslacht van de Velde.

Door huwelijk komt het bij de van Vianens terecht en blijft daar tot de 15e eeuw. Johanna van Vianen van Beverweerd trouwt dan met Jan van Boekhout. Door vererving komt het in 1536 in het geslacht van Buren. In 1564 erft Filips Willem van Nassau, de oudste zoon van Willem de zwijger, het huis van zijn moeder Maria van Buren. Via Filips’ broer Maurits komt het in het bezit van diens bastaardzoon Lodewijk van Nassau, die we al eerder tegengekomen zijn als bouwer van het slot in Zeist.

Na nog een heel stel huwelijken en verervingen komt Beverweerd in 1906 in de familie van Rechteren Limpurg terecht. Lutgaris van Rechteren Limpurg, gehuwd met Constantin Friedrich Graf zu Castell-Castell, verkocht het kasteel in 1958 aan de stichting Quakerscholen waarna het tot school verbouwd werd. Een functie die het gebouw voor zover ik weet nu niet meer vervult.


Als Gerard en ik er rondlopen is van enige schoolse activiteit in ieder geval niets te merken. De bijgebouwen lijken leeg te staan, aan de gezellige gordijntjes en planten voor de ramen te zien wordt het hoofdgebouw wel bewoond.

De kern van dat hoofdgebouw dateert uit de 13e eeuw. Maar later is er veel aan het huis vertimmerd en vooral een verbouwing uit de 19e eeuw heeft zijn stempel op het uiterlijk van Beverweerd gedrukt. Naar de smaak van de tijd werd het omgebouwd tot een neogotisch buitenhuis. Het kreeg een regelmatige voorgevel met twee hoektorens waartussen een balkon met gietijzer balustrade. Nepkantelen en arkeltorentjes bekroonden het geheel.

De middeleeuwse stenen verdwenen onder een laag pleisterwerk waarin een blokpatroon werd uitgehakt. De ingangspartij kreeg een dubbele gebogen trap die naar een bordes leidde. Allemaal erg sjiek, maar niet wat je verwacht bij een middeleeuwse burcht.

Craandijk vond het een ‘…schoon en grootsch huis.’, hoewel hij min of meer spijtig opmerkt dat ‘… wat aan Beverweerd zijn middeleeuwsch voorkomen gaf, is verdwenen…’. In de 20e eeuw werd de pleisterlaag weer verwijderd, maar de sporen van het blokpatroon zijn nog steeds in de gevels te zien.

Beverweerd staat op een eilandje dat aan een kant aan de Kromme Rijn grenst, er staan opmerkelijke bomen in het park, dat verder uit mooie groene gazons bestaat. Een bordje verbiedt ons om op het gras te komen en ook de, van fraaie gietijzeren leuningen voorziene, brug naar het kasteeleiland is verboden toegang. Gerard maakt een paar foto’s en we vervolgen onze tocht richting Werkhoven.



Deze verhalenreeks is geschreven in 2001, voor het programmablad van vereniging Artishock in Soest, en eerder verschenen op het Volkskrantblog. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.


Tekening: GerardKuit


Zie ook op Wikipedia:

Beverweerd - Daar is te lezen dat het kasteel momenteel leeg staat. In 2005 werd het aangekocht door de Stichting Philadelphia Vegetarisch Centrum. Er waren plannen: 'Op het terrein zouden zorgvoorzieningen en appartementen worden gerealiseerd voor oudere vegetariërs, de doelgroep van Philadelphia Vegetarisch Centrum. (…) Anno 2009 werden de werkzaamheden wegens geldgebrek gestopt. In 2011 werd Beverweerd verkocht. '

Onlangs zag ik een advertentie in de krant waarin kunstschilder en meestervervalser Geert Jan Jansen zijn werk te koop aanbood in kasteel Beverweerd. Hij blijkt er sinds 2006 te wonen en te werken. Zie ook www.geertjanjansen.nl



Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874;  ENSIE lexicon 1952; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.


woensdag 28 november 2012

De Langbroeker Wetering 3 – Frisse weiden en een heldere vliet.


‘Van het edele huis Rijsenburg, het eerste dat wij aan de Wetering zouden hebben gevonden, als wij een eeuw vroeger hadden geleefd, is niets meer over dan een poortje.’ Meldt dominee Craandijk al in 1883, ‘…maar zulk een poortje kan er wel eens geestig en schilderachtig uitzien. De laan achter het ons reeds bekende Rijsenburgsche kerkje loopt er regt op aan.’

Ruim honderd jaar later rijden Gerard en ik dus om het kerkje heen, om bijna direct af te remmen omdat onze aandacht getrokken wordt door een opvallend monument op het kerkhof. Het lijkt wel een groot, donker grijs, stenen bed, ‘…wel wat zwaar van vorm, maar het munt uit door een kunstig gebeeldhouwd kleed, in breede plooijen neerhangend…’ Het is de tombe van de familie van Rijckevorsel, in 1856 gemaakt door de Utrechtse beeldhouwer E.F.Georges. Het kleurige wapen, dat erboven aan de kerkmuur hangt, is van Johannes Zwijssen, aartsbisschop en stichter van het Groot Seminarie.

 ‘Wilgen, slooten, weiden, elzen...'

Een stukje verder de Rijsenburgselaan in passeren we de Rooms katholieke school, annex missiehuis. Een rood bakstenen gebouw uit het begin van de 20e eeuw, dat in de verte wel wat aan ons eigen Soester Artishockgebouw doet denken, van oorsprong een R.K. bejaardengesticht uit 1868. Daarna komen we door een flinke nieuwbouwwijk, met frisse woningen, strak geschoren gazons en jonge boompjes die zich aan palen rechtop houden. Maar ook dat gaat weer voorbij en tussen de weilanden door bereiken we uiteindelijk de weg langs de Wetering.


Aan de overkant van het water ligt de voormalige ridderhofstad Rijsenburg, de naam staat in grote letters op een van de schuren. Al in 1268 wordt vermeld dat Rijsenburg door Gijsbrecht van Aemstel wordt verwoest. Later wordt het geroemd als ‘…een der schoonste ridderhofsteden van het Sticht…’. Het voormalige poortgebouw is niet meer dan een rechthoekig bouwsel met een even rechthoekige doorgang, het dateert uit 1635.

‘Wie het niet heeft gezien, heeft er niet veel aan verloren…’, oordeelt Craandijk. De bijbehorende middeleeuwse ridderwoning werd in de 19e eeuw gesloopt. De boerderij die er nu nog staat is van oorsprong 18e eeuws en maakte ook deel uit van het complex. Dat moest ook om toegelaten te worden tot de lijst van Utrechtse ridderhofsteden, verder was een gracht en een ophaalbrug vereist.


We slaan linksaf en volgen de Wetering, aan onze linkerhand liggen weilanden, rechts aan de overkant van het water is een strook bos. Hier en daar staat een mooie boerderij, het is rustig en er schijnt een bleek zonnetje. ‘Wilgen, slooten, weiden, elzen geven er een echt Hollandsch voorkomen aan…’, jubelt de dominee, om verder de lof te zingen over de heldere vliet, de witte wolken, de frisse weiden, de fijne grijze grintweg. ‘…zoo rijk is de afwisseling van schaduw en licht, dat wij een aangenamen indruk van het geheel ontvangen.’ En dat vooral dankzij ‘…het water dat wij liefhebben en dat aan onze landschappen leven geeft.’

Zes hectaren van het weiland links behoren tegenwoordig toe aan Het Utrechts Landschap, het is het terrein van een voormalige kurkfabriek en wordt daarom ‘De kurk’ genoemd. Het grasland is er rijk aan bloemen en er komen ringslangen en heikikkers voor.

Bij de eerste gelegenheid nemen we een bruggetje de Wetering over en rijden we naar de Kromme Rijn toe. De fraaie boerderij bij het bruggetje heet ‘Broekhoeve’ de weg de Broekweg, zo worden we voortdurend herinnerd aan de zompige aard van de landstreek. Bij het volgende boerderijtje, ‘Jachtrust’ uit 1865, maakt de weg een scherpe bocht naar rechts. In de verte zien we de torenspits van Werkhoven en niet lang daarna de torentjes van kasteel Beverweerd, ons volgende reisdoel.



Deze verhalenreeks is geschreven in 2001, voor het programmablad van vereniging Artishock in Soest, en eerder verschenen op het Volkskrantblog. De situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn.


Tekening: GerardKuit

Rijsenburg vormt een gemeente met Driebergen, meer informatie is dan ook te vinden op www.driebergen.net.

Zie Wikipedia over Rijsenburg 

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874;  ENSIE lexicon 1952; Handboek Natuurmonumenten, 1996; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997; Landschapsgids voor Utrecht – Stichting het Utrechts Landschap, na 1997.