dinsdag 13 december 2011

Veluwe 2 - Van woeste heide tot vakantiebestemming

Als je oude en nieuwe kaarten van de Veluwe met elkaar vergelijkt vallen een paar dingen direct op. De bebouwing, vooral langs de randen, is enorm toegenomen, dorpjes als Apeldoorn en Arnhem zijn grote steden geworden. En er is nu veel meer bos dan vroeger.

Halverwege de vorige eeuw waren er alleen wat kleine bosperceeltjes. Dat er helemaal geen boom meer in ons land stond is wat overdreven, maar veel bos was er niet. Er werd wat aangeplant voor de scheepsbouw, rechte stammen om masten van te maken, het zogenaamde mastbos. Er was hakhout *), lage boomstronken waar de uitlopers afgezaagd en gehakt werden.  En boerengeriefhout, waar de boeren stelen voor hun gereedschap en paaltjes voor hekken weghaalden. Verder waren er houtwallen als afscheiding tussen de akkers en werden er bomen langs de wegen geplant. 

 
Maar voor het grootste deel was de Veluwe heide en zandverstuiving. Die twee hangen nauw met elkaar samen. De heide werd gebruikt om er schapen op te weiden. ‘s Nachts stonden die in de potstal, een schaapskooi gevuld met heideplaggen. Die plaggen raakten doordrenkt van de schapenstront en werden telkens van een nieuwe, schone bovenlaag voorzien.

Als de stal vol was werden de plaggen uit de stal gehaald en als mest over het land verspreid. Door het teveel afplaggen van de heide kwam hier en daar de onderliggende zandgrond aan de oppervlakte en ontstonden er zandverstuivingen.

De schapen leverden natuurlijk ook wol, van de heidestruiken werden bezems gemaakt en er werden bakkersovens op gestookt. De hei was dus in vroeger eeuwen een belangrijke onderdeel van de economie.
Rond 1900 kwam daar een eind aan. De kunstmest werd uitgevonden en wol werd elders, vooral in Australië, goedkoper geproduceerd.

De grote schaapskudden verdwenen en de hei begon dicht te groeien. Voordien werden jonge bomen en struiken door de schapen weggegraasd, of door de herders platgebrand. Bovendien werd er, om weidse, kale en schrale land van de Veluwe toch economisch rendabel te maken, nu juist bos aangeplant.


In 1888 werd de Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht, een vereniging zonder winstoogmerk, die adviezen gaf op het gebied van ontginning, grondverbetering, bosbouw, wegenaanleg en dergelijke. Een van de belangrijkste doelstellingen was de opbrengst van het heidelandschap te vergroten. Er werden produktiebossen aangeplant, gemakkelijk te herkennen aan de rechte rijen, dicht op elkaar groeiende bomen. Vooral naaldbomen bleken het goed te doen op de arme zandgrond. Vandaar dat er nu op de Veluwe meer bos is dan een eeuw geleden.

Het ontginnen van de woeste gronden is tot ver na de tweede wereldoorlog doorgegaan. In polygoon journaals uit die tijd jubelt de opgewekte commentaarstem dat ‘beken rechtgetrokken en waardeloze bosjes opgeruimd worden’. Maar nu, dertig, veertig jaar later, zitten we met de problemen.

De overgebleven natuurgebieden verdrogen in rap tempo. Omdat er geen begroeiing is die het water vasthoudt en de kaarsrechte beken alle neerslag snel afvoeren naar de grote rivieren. Waar het een beetje heuvelachtig is wordt met het regenwater ook de vruchtbare bovenlaag van het bouwland weggespoeld. De overstromingen van de laatste jaren illustreren dat het niet slim is om het landschap zo grootschalig te veranderen.

Natuurbeschermers, waterschappen en landbouworganisaties nemen nu maatregelen om het al te voortvarend ontginnen en rechttrekken weer ongedaan te maken. Oude beeklopen worden nu weer uitgegraven om het water langer vast te houden. Er moeten weer moerassen ontstaan en hier en daar wil men zelfs dijken doorsteken. En er wordt geprobeerd om de overgebleven heidegebieden te behouden. Zo blijven we lekker bezig.


De eersten die de Veluwe als recreatieterrein ontdekten waren de jagers. Al in de 17e eeuw kocht koning Willem III er het middeleeuwse kasteel het Oude Loo, bij Apeldoorn. Hij bouwde er een nieuw lustslot, nu bekend als ‘het koninklijk paleis het Loo’. Er omheen werd een park aangelegd en om te jagen kochten de Oranjes grote aangrenzende delen Veluwe op.

Het opgejaagde wild moest ook af en toe op adem komen en daarom werd er bos aangeplant, waar het zich in kon verschuilen. Ook elders op de Veluwe zijn door particulieren jachtsloten en wildbanen aangelegd. Het meest recente en bekende is het Nationaal park de Hoge Veluwe, waarvoor het gefortuneerde echtpaar Kröller-Müller in 1913 de basis legde.

Rond 1900 werd het gebied gemakkelijker toegankelijk door de aanleg van de spoorweg van Amsterdam naar Arnhem en wat later de lijn van Arnhem naar Apeldoorn. Er was een stoomtram tussen Velp en Dieren en een paardentram tussen Velp en Arnhem. Voor de massa was vrije tijd toen nog een onbekend begrip. Een arbeider werkte in 1910 nog 10 tot 12 uur per dag en zes dagen per week. Na de tweede wereldoorlog werd de 8-uurige werkdag algemeen ingevoerd, net als de vrije zaterdag en kreeg men een aantal weken doorbetaalde vakantie per jaar. 

Illustratie uit Craandijks Wandelingen door Nederland, getekend door P.A.Schipperus...
 Sociologen maakten zich wel zorgen over de vraag hoe de bevolking met zijn toegenomen vrije tijd om zou gaan. De Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie uit 1950 beveelt een actieve vrijetijdsbesteding aan. ‘De passieve vormen doen een beroep op de gemakzucht in de mens (...)Hij hoeft alleen maar een kaartje te kopen en de meest verschillende soorten vermaak worden over hem uitgestort, liefst gepaard aan veel lawaai. Verdoving schijnt de prettigste vorm van vrije-tijdsbesteding te zijn (...)Pret, sensatie, opwinding wordt dan meer en meer het enige waarnaar men vraagt’.

Om de recreërende mens te begeleiden werden er in die jaren veel min of meer educatieve verenigingen opgericht en volkshuizen gesticht. Men deed daar veel aan fietsen, wandelen en kamperen in de vrije natuur. De Veluwe werd een populaire vakantiebestemming. En als je er nu rondrijdt zie je nog steeds veel ouderen die traditie levend houden.

Dominee Craandijk heeft dit massa-toerisme niet meer meegemaakt, maar doet wel verslag van een andere eigentijdse ontwikkeling. De medische wereld kwam namelijk tot de overtuiging dat het voor leiders aan geestelijke- en of lichamelijke kwalen goed was om in de buitenlucht te verblijven. Her en der werden kuuroorden gesticht, ook op de Veluwe zoals we later zullen zien.

We gaan wat bezienswaardigheden langs die de dominee ook bezocht en wandelen ook een stukje want: ‘Het rechte genot blijft nog altijd, te voet de bosschen te doorkruisen, de heuvelen te beklimmen, de vergezichten te genieten.’ Ook al .. ‘wenschen wij, waar het noodig is, de nieuw aangeboden gelegenheden tot sneller vervoer niet te versmaden...’ Met andere woorden wandelen is leuk, maar als we echt ergens willen komen nemen we toch liever de auto.

Op het kaartje, getekend door Gerard Kuit, de omgeving van Hoog-Buurlo, waar een van de weinige oudere loofbossen op de Veluwe te vinden is. De heide wordt weer door een schaapskudde begraasd. 



*) Onlangs maakte het VARA-radioprogramma Vroege Vogels melding van hakhoutstobben, eigenlijk onderaardse boomstammen waarvan eeuwenlang de uitlopers afgezaagd zijn, van ongekende ouderdom. Op sommige plaatsen op de Veluwe zouden stobben staan van meer dan duizend jaar oud. Omdat in de afgelopen eeuw de hakhoutpercelen niet meer bijgehouden zijn groeien er nu volwassen bomen op die eeuwenoude wortels. Als men op een oude stobbe één uitloper heeft laten uitgroeien wordt dat een spaartelg genoemd, spaartelgenbossen zijn onder andere te vinden in de Planken Wambuis.
– Op de website bomeninfo.nl vindt ik hierover, in 2011, het volgende: “De afgelopen jaren is er naar de eikengroepen op de Wilde Kamp bij Garderen onderzoek gedaan door een team van onderzoekers van Wageningen Universiteit en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten in opdracht van Geldersch Landschap. Hun rapport is gepubliceerd op 12 december 2007. Hun conclusie is dat deze eikenclusters stammen uit de tweede helft van de 18e eeuw. "De uitbreiding van de clusters is hoofdzakelijk tot stand gekomen doordat horizontaal groeiende takken de grond hebben geraakt en wortels zijn gaan vormen." Het zijn dan ook geen oeroude hakhoutstoven.”



Deze verhalenreeks is, in 1998, geschreven voor de Artishockberichten, het maandblad van culturele vereniging Artishock in Soest.


Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: Grote historische atlas van Nederland - Wolters-Noordhof 1990; Grote topografische atlas van Nederland - Wolters-Noordhof 1987; Ontdek de Veluwe - IVN in samenwerking met de VARA 1981; Handboek Natuurmonumenten 1996; Wandelingen door Nederland, Gelderland I, door J. Craandijk - Tjeenk Willink 1894.

De Veluwe op Wikipedia

Met dank aan: Juul van de Poll, bibliotheek Soest.

dinsdag 6 december 2011

De Veluwe 1 - Het laatste oerwoud

Toen ik nog op de lagere school zat had de naam ‘Veluwe’ voor mij een haast mythische klank. Dat was de plek in Nederland waar de natuur nog wijds, ongerept en wild was. Daar liepen everzwijnen en edelherten los rond. Daar kon je eindeloos dwalen over heidevelden en zandverstuivingen en door eeuwig zingende bossen.

Misschien kwam het door de eenmalige, driedaagse schoolreis, waarmee de hoogste klas van de lagere school het verblijf op de school traditioneel afsloot. Die excursie bestond uit een fietskampeertocht naar Otterlo, op de Veluwe, en je hele schooltijd keek je daar naar uit. Mijn oudere broer en zus vertelden er sterke verhalen over. Dat was het hoogst haalbare. Toen mijn tijd eindelijk gekomen was brak ik, een paar dagen voor vertrek, mijn arm en kon ik niet mee. Mijn droom bleef bestaan.

Als ik in die jaren een flinke fietstocht maakte reed ik als vanzelf richting Veluwe. Dat deed ik al met mijn vriendjes toen ik een jaar of tien was. Die eerste fietstochtjes reikten niet veel verder dan Barneveld, dat zichzelf wel al een Veluwedorp noemt, maar eigenlijk nog op de rand van de Gelderse vallei ligt.

Barneveld heeft veel kippenfokkers en langs een van de doorgaande wegen staat dan ook een friettent in de vorm van een reusachtig ei. Daar aten we een frietje en fietsten weer naar huis. We durfden ook niet veel verder, want naarmate je verder van huis fietst duurt de terugweg immers ook langer. Na een paar uur bereik je een psychologische barrière. Verder gaan betekent dat je misschien de terugtocht niet meer haalt. Kinderen van een jaar of tien, twaalf fietsen vaak zonder problemen afstanden waar volwassenen de grootste moeite mee hebben. Maar de onzekerheid won het toen altijd van de drang om uit te testen waar mijn grenzen lagen.

Later, toen ik groter en sterker werd, heb ik de Hoge Veluwe wel per fiets doorkruist en ik heb er een paar keer gekampeerd. Toch heb ik lang niet alle mooie en interessante stukken van de Veluwe gezien. Reden genoeg om er nog eens een rondritje te maken. Ook omdat dominee Craandijk er eind vorige eeuw gewandeld heeft, toen het gebied nog echt woest en ledig was.


In de prehistorie was heel Nederland, dus ook de Veluwe, bedekt met oerwoud. De wetenschappers zijn het er niet over eens of het een dicht aaneengesloten bos was. Of eerder een parkachtig landschap met hier en daar open plekken, waar wilde paarden en oerrunderen graasden. Er groeiden in ieder geval veel bomen, hoofdzakelijk loofbomen, zoals eiken en beuken. Naaldbomen kwamen van nature bijna niet in onze streken voor.

De eerste mensen vestigden zich langs de rivieren, die traag door ons oneindig laagland stroomden en drongen langzamerhand het oerwoud binnen. Hout was het belangrijkste bouwmateriaal en de enige brandstof. Dat bleef zo tot ver in de middeleeuwen.

Omdat de bevolking zich langzaam uitbreidde werd het areaal oerbos steeds kleiner. Noodgedwongen ging men minder hout gebruiken. Steen en kunstmatige steen, baksteen, werden meer en meer gebruikt om huizen van te bouwen. In de steden werd dit ook wel voorgeschreven om het risico van brand te verminderen. Kolen en turf kwamen in zwang als brandstof.

Het duurde echter tot de vorige eeuw voor er stalen schepen ontwikkeld werden die geen houten masten meer nodig hadden, maar stoommotoren gebruikten om vooruit te komen. Die ontwikkelingen kwamen net op tijd, het bos was namelijk op. Ons land was compleet kaalgeschoren en zag eruit als een stuk tropisch regenwoud waar net een groep Japanse houthakkers voorbij gekomen is: Woest en ledig.


Het laatste stukje oerbos, bij Beekbergen aan de oostkant van de Veluwe, werd rond 1870 ontgonnen. Een enkele, toen voor zweverig versleten, natuurliefhebber treurde er om en dat is geen wonder, het moet prachtig geweest zijn. Van der Aa beschrijft het in zijn Aardrijkskundig woordenboek van 1840 als volgt:

‘De plantengroei is er zoo weelderig als ergens in ons geheele land. Het bestaat meest uit elzenboomen, die zichzelven zaaien, en soms een hoogte van 20 ellen*) bereiken. Voorts ziet men er de schoonste esschen- en eikenboomen, heesters van de vreemdste soorten en wilde bloemen.’

Ook de fauna zal er bijzonder geweest zijn. Een andere liefhebber, dominee Heldring, schreef in 1841 dat de raaf, de roerdomp, het ijsvogeltje en de nachtegaal er broedden. Op de laatste na, nu allemaal zeldzame vogels. Craandijk maakte er in 1887 weinig woorden meer aan vuil: ‘Het woeste, maagdelijke, alleen bij wintervorst of in zeer droge zomers toegankelijk Beekbergerbosch is in welig bouwland veranderd.’ Voor de 19e eeuwer, die toch vooral met een economische blik naar de natuur keek, een hele vooruitgang.

Hedendaagse natuurliefhebbers kunnen nog steeds in spontane huilbuien losbarsten als je het Beekbergerbos ter sprake brengt. Het is ook om gillend gek van te worden, ruim honderd jaar terug lag daar nog een heus oerwoud ! Waar de oorspronkelijke, natuurlijke begroeiing, duizenden en duizenden jaren, ongestoord zijn gang had kunnen gaan. Stel je dat eens voor !! De treurnis die je bekruipt als je denkt aan al dat moois dat, zonder pardon, gerooid en drooggelegd is. Om het hout te kunnen verkopen en op het welige bouwland, bieten of aardappelen te kunnen verbouwen... Tranen springen je in de ogen.

Drieëndertig jaar later, in 1905, werd de vereniging tot behoud van Natuurmonumenten opgericht. Te laat !! Er was geen ongerepte natuur meer in ons land te vinden. En nu, meer dan een eeuw later, heeft Natuurmonumenten, schuldbewust natuurlijk, de welige bouwlanden bij Beekbergen aangekocht. Sommige zeldzame planten hebben in houtwallen en langs bermen, al die jaren van menselijk ontginnen overleeft en men probeert er nu het oerbos weer terug te kweken.

God, wat een treurnis ! Je zou er depressief van worden. Mijn kinderdroom berust dus op een vergissing. De Veluwe heeft niets natuurlijks meer. Het is een cultuurlandschap, ontstaan door menselijk ingrijpen.


Deze verhalenreeks is, in 1998, geschreven voor de Artishockberichten, het maandblad van culturele vereniging Artishock in Soest.

Bijschrift: *) Volgens Kramers woordenboek is een el 68 centimeter, 20 el is dus ruim 13,5 meter. Eigenlijk niet bijzonder hoog voor een boom. Volgens Elseviers nieuwe plantengids kunnen de grauwe en de zwarte els wel 24 meter hoog worden. Dat men een boom van 13 meter al iets bijzonders vond illustreert dat hoge bomen een zeldzaamheid waren in die tijd. Of dat de schatting niet erg nauwkeurig was.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: Grote historische atlas van Nederland - Wolters-Noordhof 1990; Grote topografische atlas van Nederland - Wolters-Noordhof 1987; Ontdek de Veluwe - IVN in samenwerking met de VARA 1981; Het Naardermeer - Natuurmonumenten 1980; Handboek Natuurmonumenten 1996; Wandelingen door Nederland, Gelderland I, door J. Craandijk - Tjeenk Willink 1894.



Radio-documentaire van 53 minuten over de sloop van het Beekbergerwoud, door OVT van de VPRO. 


Met dank aan: Juul van de Poll, bibliotheek Soest.

woensdag 30 november 2011

Wijk bij Duurstede 4 - Stadsmuren, een terras en de molen van Ruysdael

We verlaten het kasteelpark en slaan rechtsaf richting rivier. We lopen zo langs de restanten van de 15e eeuwse stadsmuur die hier voor een flink stuk bewaard is gebleven. Oorspronkelijk was de vesting voorzien van torens en vermoedelijk vijf stadspoorten. Van de torens resten nog twee ronde uitstulpingen in het restant van de stadsmuur, op de tweede, die bijna helemaal opgenomen is in latere bebouwing, heeft de beroemde molen van Ruysdael gestaan.

De enig overgebleven stadspoort dient nu als onderstel voor de korenmolen Rijn en Lek, maar om daar te komen moeten we eerst de Dijkstraat uitlopen, langs de Lek. Hier is de oude stadsmuur opgenomen in de hoge waterkering langs de rivier. De rest van de versterkingen rond Wijk bij Duurstede is in de 19e eeuw gesloopt.



'Fraaije riviergezichten zijn te genieten (…) van den koepel op den hoogen steenen muur (…) 't is daar heerlijk zitten in den stillen morgen of in den kalmen avondstond…', schrijft dominee Craandijk. En nog steeds is het terras op de kademuur een geliefde plaats om een kopje koffie, thee of iets sterkers te gebruiken. Je hebt er uitzicht op het haventje dat tegenwoordig voornamelijk de pleziervaart dient.

Wat verderop kun je het veerpontje zien gaan en '…de heuvels van Amerongen blaauwen in de verte waar de groene Betuwe met haar torens en dijken en boomgroepen en uiterwaarden zich voor ons uitbreidt.' We zien twee ooievaars met trage vleugelslag boven de huizen van het oude stadje opstijgen en naar grote hoogte cirkelen.

Als we weer opstappen is Wijk bij Duurstede tot leven gekomen. Antiek- en curiosawinkels en galeries hebben de deuren geopend voor het maandelijkse culturele rondje. Gerard koopt, in een zaakje vlak achter het terras, een mooie rode collectebus.


We lopen de Oeverstraat in, richting stadskern. Veel huizen in de stad dateren uit de 17e, soms zelfs 16e eeuw, maar die ouderdom gaat schuil achter 18e en 19e eeuwse voorgevels. Halverwege de straat springt de rooilijn terug voor een ondiep pleintje, achter een ijzeren hek. Hier staat een nog ouder gebouw, het st. Ewouds- en st. Elisabethsgasthuis, dat in de 14e eeuw gesticht werd door Willem, heer van Abcoude en Duurstede.

Eertijds was het een ziekenhuis, toen Craandijk het aan het eind van de 19e eeuw bezocht werden '…ouden lieden er opgenomen en kosteloos verpleegd, terwijl eenige anderen er "den kost hebben gekocht"…'. Hij trof er schilderachtige figuren: '…een oud-strijder van Waterloo en een bijna honderdjarige vrouw…' en '…een bejaard man en zijn dochter, van buitengewoon klein gestalte…'.

De oude muren zijn bedekt met een pleisterlaag en de voorgevel is voorzien van schuifvensters, maar inwendig zijn nog 14e eeuwse bouwdelen aan te wijzen. Het gasthuis is tot 1970 in gebruik geweest als bejaardenhuis, daarna is het opgedeeld in kantoren en woningen.

We wandelen door de Peperstraat, met nog meer aardige gevels, antiekwinkels en kunstzaken. Een bord nodigt uit tot een bezoek aan een café aan de Mazijk, een straat die je bereiken kunt via een smalle doorgang tussen oude muren. De Mazijk dankt zijn merkwaardige naam aan de muziek die de bisschop begeleidde op weg naar de kerk. We zouden nog meer cafés langs kunnen, misschien het museum kunnen bezoeken, maar dat doen we wellicht een andere keer.



NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps 


woensdag 23 november 2011

Wijk bij Duurstede 3 – Middeleeuwse wallen en stadsboerderijen

Al in 1300 kreeg Wijk bij Duurstede stadsrechten, zo'n honderd jaar later werden de eerste stadsmuren aangelegd. Van die versterkingen is niets meer over. Het stadje omvatte aanvankelijk ongeveer een derde van de huidige binnenstad, een soort taartpunt, begrensd door het huidige kasteelpark en de straten: Mazijk, Plantsoensteeg en Achterstraat.

Al snel bleek dat te klein en in 1450 kwam er aan noord- en zuidkant een uitbreiding en werden er nieuwe muren gebouwd in een onregelmatige ronde vorm. Je kunt er nu omheenlopen langs de Singel, het Walplantsoen, de Dijkstraat en Langs de wal. En dat is op zich een goed idee want je komt er een aantal bezienswaardigheden tegen.


Zoals gezegd liepen wij eerst naar de Markt. Daar staat het gemeentehuis uit 1662 met aan weerszijden een hardstenen waterpomp uit 1759. Daarbovenuit torent de imposante toren van de hervormde kerk. In de eerste helft van de 14e eeuw stond hier al een veel kleinere kerk, maar tussen 1459 en 1496 verbleef bisschop David van Bourgondië regelmatig op kasteel Duurstede en in 1486 gaf hij opdracht tot de bouw van een groter, meer representatief gebouw, met een enorme toren.

Van die plannen is niet veel terechtgekomen. De toren is nooit afgebouwd, net zo min als de kerk zelf waarvan het koor in 1579 bovendien door brand verwoest en nimmer herbouwd werd. Dominee Craandijk noemt het resultaat: '…een groote, ten deele merkwaardige Hervormde kerk, met zwaren, schoon gebouwden, maar onvoltooiden toren…'.



Vanaf de markt wandelen wij de Maleborduurstraat in om bij de volgende kruising rechtsaf de Achterstraat in te slaan. Op nummer 18 staat hier een stadsboerderij uit 1495 die waarschijnlijk de oudste bewaard gebleven boerderij in ons land is. Vanaf de middeleeuwen tot een eind in de twintigste eeuw was de landbouw en dan vooral de fruitteelt, de belangrijkste bron van inkomsten voor Wijk en zijn bewoners.

Er staan meer oude boerderijen in en om de stad, maar Achterstraat nummer 18 is veruit de oudste. Het is overigens een tamelijk bescheiden, witgepleisterd pand. Je zou het zo voorbijlopen als de VVV er geen bordje op had aangebracht.

We lopen de andere kant weer op, richting kasteel. De binnenstad van Wijk bij Duurstede is een aardige mix van oude en nieuwe panden. Waarbij de nieuwbouw meestal bescheiden van opzet is en de straatlantaarns een ouderwetse uitvoering hebben, zodat niets de historische sfeer verstoort. De inwoners houden daar zelf ook het oog op getuige de raambiljetten die protesteren tegen bouwplannen en er voor pleiten Wijk niet vol te bouwen.



We nemen een omweggetje door het kasteelpark. Het kasteel zelf is dicht. Volgens mijn informatie wordt het geëxploiteerd als zalencentrum voor bruiloften en partijen en zou je er op het binnenplein een kopje koffie moeten kunnen drinken. Maar niet op zondagochtend, misschien.

Nadat het kasteel in de 17e eeuw ontmanteld werd, sommigen zeggen door de Franse troepen, kwam het in bezit van de stad. De wallen werden deels afgegraven en omstreeks 1800 werd het ingericht als stadspark. Craandijk omschrijft het als een '…smaakvol aangelegd plantsoen, onder welks hoog en trotsch geboomte de bevolking der stad zich gaarne verpoost.' In 1911 werd op het kasteeleiland een muziektent geplaatst.

Als je om het kasteeleiland heenloopt kom je over een bruggetje dat de verbinding tussen de binnen- en de buitengracht overspant. Vanaf hier heb je goed zicht op de merkwaardige hofstede 'De Wildkamp'. Deze luxueuze boerenhoeve is gebouwd omstreeks 1800 in empire-stijl. Het hoge voorhuis is witgepleisterd en heeft een uitspringend balkon. Aan weerskanten wijkt de gevel terug en staan twee beelden in rondboognissen. Ze stellen Flora en Fauna voor. Tuinarchitect J.D. Zocher heeft bij zijn werkzaamheden aan het kasteelpark, in 1852, rekening gehouden met het uitzicht op dit opvallende pand.


NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps 


woensdag 16 november 2011

Wijk bij Duurstede 2 - Noormannen en bisschoppen

Dat er in Wijk bij Duurstede veel sporen van het verleden te vinden zijn was in het begin van de 19e eeuw al bekend. Aanvankelijk trok vooral de vondst van grote hoeveelheden dierenbotten de aandacht. Niet alleen van oudheidkundigen, maar ook van fabrikanten die er beendermeel van maakten.

'Reeds sedert eenige jaren hadden arme lieden in den winter steelsgewijze een stuksken brood verdiend met het opgraven van beenderen…' meldt Craandijk en '…niet minder dan 18000 mudden beenderen werden in korten tijd gevonden…', maar ook '…menig voorwerp van kunstvlijt…'.

Een overheidsdienst die zich met archeologische zaken bezighield was er nog niet, maar '…belangstellenden, waaronder vooral de predikant van de Veur van Zoelmond genoemd verdient te worden, trachtten te verzamelen wat te voorschijn kwam…'.


De grote hoeveelheid vondsten trok uiteindelijk landelijke belangstelling en in 1842 greep de overheid in. Er ging een opgraving onder deskundige leiding van start. Het was het begin van het grootste archeologische onderzoek van Nederland, dat in verschillende fasen tot in de jaren '80 van de 20e eeuw zou voortduren.*)

Men vond een groot deel van de vroegmiddeleeuwse haven van Dorestad terug en een grote hoeveelheid gebruiksvoorwerpen, munten en sierraden. Een deel daarvan is te zien in het Museum Dorestad, voorheen het Kantonaal en Stedelijk museum, aan de Muntstraat in Wijk bij Duurstede. Bovengronds is er niets meer van te zien, niet van de bloeiende handelsstad die er in de 9e eeuw ontstaan was, noch van de verwoestingen aangericht door de Noormannen. **)


Al tijdens de regering van Karel de Grote (742-814) hielden de '…gevreesde zeekoningen…' huis langs de kusten van de Noordzee. Karels zoon Lodewijk de Vrome stelde zelfs een Deense leenman aan, Harald, om Dorestad en omstreken te beschermen. Tevergeefs: 'Van 834 tot 837 werd de ongelukkigen stad viermaal geplunderd.' Tien jaar later nog een keer en in 863 voor het laatst.

Inmiddels begon de monding van de Rijn te verzanden, waardoor het voor vrachtschepen en Vikingen steeds moeilijker werd om landinwaarts te varen. Dorestad nam in belangrijkheid af en: 'In 949 bevestigde keizer Otto III het bisdom Utrecht in 't bezit van alles, wat het bezat "in de villa, eertijds Dorestad, thans Wijck genoemd."'

Een deel van de grond rond Wijk bleef echter in het bezit van de Duitse keizer. In 1256 kocht graaf Otto II van Gelre de voormalige keizerlijke vroonhof, een agrarisch complex gelegen aan de Markt, waar nummer 14 en 14a nog bekend staan als 'de Nederhof'. Otto gaf zijn bezittingen en de bijbehorende rechten in leen aan de heren van Abcoude, die omstreeks 1270 begonnen met de bouw van het kasteel.

Waarschijnlijk was het Zweder van Zuylen van Abcoude die een donjon liet bouwen met een zaalgebouw ernaast, omringd door een schildmuur. Die donjon, inmiddels een ruïneuze, maar nog steeds imposante, vierkante toren, staat op een eilandje, in een romantisch park, aan de zuidwestkant van het stadje. Hij wordt nu omringd door de resten van een latere bouwfase, die onder leiding van de Utrechtse bisschoppen tot stand kwam.


Tussen Utrecht en Gelre heeft lange tijd onenigheid bestaan over de zeggenschap over Wijk bij Duurstede. Uiteindelijk, zo meldt Craandijk, was het '… Jacob van Gaesbeek, den erfgenaam der Abcoudes, die na een voortdurende strijd met de Utrechtse kerkvorsten, in 1449 deze bezittingen aan het Sticht moest afstaan.'

In die jaren oefenden de bisschoppen de macht uit over een groot deel van de huidige provincie Utrecht, toen 'het Sticht' genoemd, en delen van Overijssel, Drenthe en Groningen, 'het Oversticht'. Zij waren niet alleen godsdienstige leiders, maar ook wereldlijke staatshoofden die rechtspraken, belasting inden enzovoort.

In de 15e eeuw ging dat niet zonder slag of stoot en de toenmalige bisschoppen David en Philips van Bourgondië vochten menig conflict uit met Hollandse en Gelderse troepen. Omdat de stad Utrecht partij trok tegen de eigen bisschop hield die regelmatig verblijf op slot Duurstede. Vooral David heeft veel aan het kasteel verbouwd, de grote ronde toren wordt naar hem de Bourgondische toren genoemd.



*) In het boek 'Dorestad – Een wereldstad in de middeleeuwen' door Annemarieke Willemsen (Walburg pers 2009) staat een verslag van de opgravingsgeschiedenis. De eerste archeologische onderzoekingen waren kleinschalig en er werd niet veel gedaan ter bescherming van de vindplaats. Eigenlijk werd er pas serieus opgegraven toen grootschalige nieuwbouwplannen, in de jaren '60 van de 20ste eeuw, de resten van Dorestad bedreigden. De opgravingen zijn in fases doorgegaan tot in 2008.

**) Dat de opgravingen te Wijk bij Duurstede het legendarische Dorestad blootgelegd hebben wordt door sommigen betwist. Zie bijvoorbeeld hier. De meeste historici houden het er echter op dat er weliswaar geen keihard bewijs is dat het hier Dorestad betreft, maar dat dat wel zeer waarschijnlijk is. De vondsten zijn inmiddels overgedragen aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waar een deel ook tentoongesteld wordt. 


NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997

Zie ook Wijk bij Duurstede op Wikipedia 


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps 

woensdag 9 november 2011

Wijk bij Duurstede 1 - Romeinse oorsprong

'Wijk bij Duurstede is thans een stil landstadje…', schreef dominee Jacobus Craandijk in 1883 en als wij, op een mooie zondagochtend in augustus 2002, onze auto parkeren op de parkeerplaats aan het Walplantsoen kunnen we hem alleen maar gelijk geven. Er is natuurlijk veel veranderd in ruim honderd jaar, maar de rust is gebleven. Al kan dat natuurlijk ook aan het vroege uur liggen. We wandelen de Plantsoensteeg in naar de oude kerk en horen daar het orgel spelen en de gemeente zingen. 



Bij Wijk bij Duurstede gaat de Rijn over in de Lek, leerden wij op school bij aardrijkskunde. Maar in feite gaat de Rijn gewoon verder, als de Oude- of Kromme Rijn die bij Katwijk uitmondt in de Noordzee. Vroeger was dit de hoofdstroom, veel breder dan nu en hij overstroomde regelmatig de omliggende landstreek.

We steken het bescheiden riviertje over nadat we, vanaf de Langbroeker Wetering, de weg naar Wijk genomen hebben. Op het kruispunt was vroeger een herberg gevestigd. Craandijk nam er een '…snede brood met kaas en een glas bier…'. Daarna ging het langs '…boerenhofsteden, boomgaarden, weiden en brugjes, hooge peppels en wilgen, hier en daar een zicht op den korten, zwaren kerktoren van Wijk…'. En zo is het in grote lijnen nog steeds. De weg is ondertussen geasfalteerd, natuurlijk, sommige huizen zijn nieuw, maar verder heeft de vooruitgang zich hier rustig gehouden.

De dominee wandelde Wijk binnen over de Hoogstraat en passeerde zo een stuk grond waar al in het midden van de 19e eeuw sporen van vroegere bewoning gevonden werden: '…gij hoeft slechts even hier of daar te bukken (…) om er scherfjes en stukjes gebakken aarde te vinden…'. Overblijfselen van een legendarisch verleden.

Hier langs de oever van de Rijn, die toen ook al een belangrijke handelsroute was, lag Dorestad, een welvarende doorvoerhaven, die vooral bekend is geworden door de plunderingen van de Noormannen in de 9e eeuw. Voor die tijd hadden de Romeinen al een castellum gebouwd bij de splitsing van Rijn en Lek. De dominee meende dat het kasteel van Duurstede op de resten van dat fort gebouwd was. Tegenwoordige geleerden situeren het aan de overkant van de huidige stroom, bij het Gelderse dorp Rijswijk. Bij baggerwerkzaamheden kwam daar in 1979 een paar Romeinse helmen boven water.


Tussen 58 en 49 voor Christus veroverde Julius Caesar heel Nederland. Heel Nederland ? Nee, het deel boven de grote rivieren bleef dapper weerstand bieden. Eigenlijk was de verovering van de zuidelijke Nederlanden een voortvloeisel uit de verovering van Gallië. Je zou kunnen zeggen dat Caesar wat ver naar het noorden doorgeschoten was, maar de huidige grenzen bestonden natuurlijk nog niet en het was niet zo duidelijk waar Gallië nou eigenlijk ophield.

De Romeinse legers, waarvan de soldaten merendeels afkomstig waren uit al eerder door de Romeinen veroverde gebieden, legden langs de Rijn van Nijmegen tot aan Katwijk, grensversterkingen aan. Het castellum bij Wijk Bij Duurstede huisvestte waarschijnlijk een infanterie cohort en heette Levefanum. Tot en met de 3e eeuw na Christus werd het door de Romeinen gebruikt.

Rond 400 begon het verval van het Romeinse rijk en in 406 besloot keizer Honorius zich uit ons land terug te trekken. De Franken namen vervolgens de boel over en de Rijn werd nu het toneel van schermutselingen tussen de Franken en de Friezen.

In 690 was er, bij het 'castrum Dorestad', een veldslag tussen de Friezen onder leiding van koning Radboud en de Franken, die aangevoerd werden door hofmeier Pepijn II. Men neemt aan dat bij het oude fort inmiddels een nederzetting was ontstaan. Van het castellum Levefanum is verder niet veel teruggevonden, de bedding van de rivier heeft zich verlegd en de resten zijn waarschijnlijk weggespoeld. Wel is er ten noorden van de oude stad, bij de Horden waar nu een nieuwbouwwijk is, tussen 1984 en '87 een begraafplaats opgegraven met Romeinse graven uit de perioden van 0 tot 250 na Christus.


NB: Dit verhaal is geschreven in 2002, voor het verenigingsblad van Artishock in Soest, de situatie ter plaatse kan inmiddels veranderd zijn. Het is ook eerder geplaatst op het voormalige Volkskrantblog.

Tekening: Gerard Kuit

Bronnen: J. Craandijk: Wandelingen door Nederland - Utrecht, 1874; Doriann Kransberg en Hans Mils: Kastelengids van Nederland, 1979; Bloemers, Louwe Kooijmans en Sarfatij - Verleden land, 1981; van Es, Sarfatij en Woltering (redactie) - Archeologie in Nederland, 1988; Monumenten in Nederland - Utrecht, 1997

Zie ook Wijk bij Duurstede op Wikipedia 


Lokatie Wijk bijDuurstede op Google Maps

vrijdag 4 november 2011

De Vecht 39 – Einddoel bereikt

Een grote bruine hond speelt met een bal tussen de tafels van Café Ome Ko, bij de sluis in Muiden. Bij de open haard zijn jonge moeders en vaders in de weer met kleuters en wandelwagentjes. Er worden kinderen in- en uitgeladen en naar de toiletten begeleid. Aan de grote tafel in het midden van de gelagkamer zitten wat mensen aan het ontbijt. Gebakken eieren met spek.


Gerard en ik zitten wat terzijde, we drinken een kopje koffie. We zullen zo direct nog een klein ritje met de rolstoel maken. Langs de kazerne en het muizenfort en terug langs de kademuur, die Muiden moest behoeden voor overstromingen, in de jaren voor de afsluitdijk.

Maar het eigenlijke hoogtepunt van de dag hebben we al gehad. We hebben het einde van onze Vecht-reis bereikt: de monding van de rivier. Het is haast niet voor te stellen, maar we hebben er ruim 5 jaar over gedaan. Vanaf fort Vechten, bij Bunnik tot aan Muiden, in 39 hoofdstukken.


De westbatterij - Muiden
We zijn begonnen en geëindigd bij vestingwerken, wat maar aangeeft hoe belangrijk deze rivier was. Van begin tot eind versterkt met forten en bastions.
Via schilderachtige rivierdorpen en fraaie buitenhuizen zijn we stroomafwaarts gegaan. Door landschappen die opvallend weinig geleden hebben onder de vooruitgang en dadendrang van de moderne tijd.

Uiteindelijk zijn we in Muiden aangekomen. Vreemd dat het stadje niet uitgelopen is om ons met dansmariekes en fanfare binnen te halen. Merkwaardig dat we niet gehuldigd zijn op het stadhuis. Nou, ja, zo gaat dat ook niet meer tegenwoordig. Ontdekkingsreizigers worden niet meer op waarde geschat.

We zijn heel onopvallend langs de rivier gereden, overgestoken bij de sluis en we hebben de auto in een stil woonwijkje geparkeerd. Aan het eind van het straatje zagen we de daken van het Muiderslot boven de rivierdijk uitsteken. En tussen de huizen door een glimp van het laatste fort langs de Vecht, de Westbatterij.

Die kant wandelden we op. Langs een klein volkstuincomplex. Een enkele Muidenaar liep er de hond uit te laten. Wij beklommen de dijk en genoten van het uitzicht op de jachthaven, het slot, het stadje, het fort en de monding van de Vecht.

We maakten wat foto's en uiteindelijk gaven we elkaar een hand. Zo, missie volbracht !


De Kazerne - Muiden
En ach, ja, de westbatterij is aangelegd in 1799. Het ovalen torenfort, dat het meest opvallende deel is, dateert van 1852. Het is omsloten door een gracht en wordt momenteel gebruikt door de scouting. Het muizenfort is iets jonger, gebouwd in 1874. Uit dezelfde periode dateert de indrukwekkende kazerne.

Het Café van Ome Ko heette oorspronkelijk 'De Gooise Boer' en is al eeuwen in gebruik als herberg. De kleurig geschilderde gevelsteen dateert uit 1756. Bij de koffie maken Gerard en ik plannen voor een nieuwe reis. Langs de kust van de Zuiderzee lijkt een aardig idee...


Dit verhaal verscheen in 2009 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.




Tekening: Gerard Kuit


Foto's: Jan de Stripman   en Gerard Kuit

Bronnen: Prof. J.A.de Rijk – Wandelingen door Gooi- en Eemland 1905; Jac.P.Thijsse – De Vecht 1915; Monumenten in Nederland – Noord-Holland 2006

Muiden op Wikipedia   

Het Muiderslot op Wikipedia

Muiden op Google Maps