zaterdag 26 maart 2011

De Vecht 16 - Van Nieuwersluis naar Breukelen en weer terug

Als we, langs de Pupillenschool, Nieuwersluis uitrijden komen we in een landelijk gebied. Van het door militaire activiteiten gekenmerkte vestingdorp gaan we weer richting buitenplaatsen en lusthoven. Of zoals dominee Craandijk in een filosofische bui schrijft: ‘…de overlevering, die aan de boorden van de Vecht van zooveel bloedigen strijd en zooveel droevige verwoestingen heeft te verhalen, (…maar…) die ook van zooveel kinderachtige geldverspilling en van zooveel jammerlijke verkrachting der natuur heeft te gewagen…’.

Op een rustige zondagochtend zou je het allemaal niet achter dit vredige landschap zoeken. Nu staan er mooie boerderijen, de meeste buitenplaatsen aan deze oever zijn door de Fransen verwoest, of door hun eigenaren verlaten en gesloopt. Craandijk noemt Veenvecht, Lisboa, Angola en Hunthum, die allemaal verdwenen zijn. Maar sommige namen vindt je nog terug, zoals bij die ene boerenhoeve waarop Lixboa geschilderd is. Tussen de bomen, schuren en stallen door zie je af en toe in de verte een glimp van het plassengebied rond Loosdrecht.




We stoppen even bij Weeresteijn, zo’n beetje de enige buitenplaats die er in dit stuk nog wel te bewonderen valt, ‘…met zijn deftig, vierkant, maar niet antiek huis…’ zoals Craandijk schrijft. Maar inmiddels zijn we ruim honderd jaar verder en mogen we het, in aanleg 18e eeuwse, gebouw best antiek noemen. De plek is schilderachtig, met het statige landhuis omgeven door hoge bomen, een sluisje dat de toevoer van water, uit of in de Weere, regelt en een paar erg mooie boerderijen.

Die Weere lijkt een brede, gegraven sloot, maar je weet het maar nooit. De dominee vermeldt dat hij hier in de Vecht uitloopt, dus wellicht was het van oorsprong wel een klein zijstroompje. Het vormt de verbinding tussen de rivier en het plassengebied en volgens Gerard kan het hier ’s zomers druk zijn met pleziervaartuigjes.

De twee boerderijen heten Vechtlust, misschien naar een verdwenen landgoed, en de Vliegende kraai, wat een prima naam lijkt voor een herberg. Op het sluisje is een gedenkplaat aangebracht waarop staat dat de eerste steen gelegd is in 1887. Een van de notabelen, die erop met naam vermeld wordt, heet Huydekoper. Die familie zijn we eerder tegengekomen in Maarssen, waar ze het landgoed Goudestein bewoonden. Joan Huydecooper was er aan het eind van de 19e eeuw burgemeester.

We maken een paar foto’s, ook van de wilgenboom met het grote gat erin, die voor de Vliegende kraai staat en van de watertoren van Breukelen, die als een betonnen reuzenviltstift boven de huisjes aan de overkant van het water uitsteekt.
Jac. Thijsse maakte hier een klein omweggetje, langs Breukelenveen, een buurtje in het grotendeels uitgeveende gebied tussen de rivier en de Vechtplassen. ‘Rechts van de kade was al meer water dan land’, schrijft hij, ‘en de weinige huisjes lagen elk op zijn eiland, door een draaibruggetje te bereiken.’

We komen langs een begraafplaats. Thuis had ik van te voren op GoogleEarth gekeken, om onze tocht vast een beetje voor te bereiden en vanuit de lucht kon ik dit terrein, met al die kleine paadjes, niet thuis brengen. Was het een bungalow park ? Nee, zo blijkt nu, de bewoners zijn al een poosje overleden.





Bij Gunterstein steken wij de brug over, Breukelen in, en zoeken de straatweg waarlangs Craandijk wandelde. Eerst kom je door een tamelijk nieuwe woonwijk. Daarna langs een aantal aan elkaar grenzende landgoederen. Oorspronkelijk waren hier grote stukken land in eigendom van lieden die Mennonieten of Menisten genoemd werden, volgelingen van de Friese priester Menno Simons. Deze predikte in de 16e eeuw een zeer sobere leefstijl, te vergelijken met de Amish in de Verenigde Staten.

Thijsse noemt het gebied de Menistenhemel en schrijft dat er een eikenlaan moet zijn ‘…op zijn minst even mooi als de Middachter allee.’ Die laatste was een legendarische beukenlaan bij het landgoed Middachten, niet ver van Arnhem. Trouwe lezers weten dat die aan het begin van de 20ste eeuw gekapt is.

Van de eikenlaan in de Mennistenhemel hebben Gerard en ik niets teruggevonden. Wel zijn hier een paar mooie buitenplaatsen. Thijsse noemt Hofwerk, Vijverhof, Over-Holland, Rupelmonde en Sterrenschans. Van de laatste twee herkennen we de namen op fraaie tuinhekken, maar voor we het weten staan we alweer in Nieuwersluis. Daar is en dat wordt ook een soort traditie tijdens onze tochten, net de brug open over de Rechte Angstel. We willen graag aan de overkant dit zijstroompje volgen om te zien waar Thijsse, bijna honderd jaar geleden op de trein stapte.




Dit verhaal verscheen in 2006 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.


Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Kransberg en Mils - Kastelengids van Nederland 1979; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996; Cultuurhistorische routes in de provincie Utrecht - De Hollandse waterlinie 1996.

Websites algemeen: www.vecht.nl en www.hollandsewaterlinie.nl  
Over Loenen, Vreeland en Nieuwersluis: www.stichtsevecht.nl en de Historische Kring Gemeente Loenen: www.hkgl.nl

Wikipedia over: Nieuwersluis en de Mennonieten


Nieuwersluis op Google Maps

vrijdag 18 maart 2011

De Vecht 15 – Naar Nieuwersluis


Op een frisse zondagochtend in oktober hervatten Gerard en ik onze reis langs de Vecht. We zijn de vorige keer gestopt bij Gunterstein, het kasteel bij Breukelen en moeten nu kiezen, want onze reisgidsen uit vervlogen dagen volgen hier elk een andere weg. Jac Thijsse had in 1914 haast om in Nieuwersluis de trein te nemen en rende in een ruk door, over de rechter oever. Hij zou z’n trein trouwens missen ‘…en de volgende trein had ook nog drie kwartier vertraging.’

Dominee Craandijk nam 25 jaar eerder wel de tijd om Breukelen te bezichtigen en wandelde verder over de straatweg op de linker Vechtoever. Een bijkomende vraag is hoe we vanaf Soest het snelste naar Breukelen kunnen rijden. Mogelijkheid één is langs Maartensdijk en Westbroek, maar dan doen we een deel van onze vorige etappe nog eens over, omdat we dan een stuk voor Breukelen al op de Vecht uitkomen.

Volgens de ANWB routeplanner is de kortste weg via Hilversum en Oud-Loosdrecht. Dan komen we een stuk verder, vlak onder Loenen, de Vecht tegen en zouden we een stukje terug moeten rijden, naar Breukelen. Maar misschien is dat juist wel een goed idee, zo kunnen we eerst langs de rechteroever Thijsse tegemoet rijden en dan, langs de andere kant, de route van Craandijk nemen.


ANWB-borden in Nieuwersluis
Terwijl de zon een beetje bleek door de laaghangende bewolking schijnt, rijden we genoeglijk keuvelend tussen de Loosdrechtse plassen door naar de Vecht. Daar valt ons plan direct in duigen. Het weggetje langs de rechteroever is aan deze kant afgesloten voor auto’s. We steken dus de rivier over en rijden over de straatweg op Nieuwersluis aan. De afstanden zijn maar klein, na een paar minuten komen we de volgende brug al tegen en besluiten om die over te steken en zo alsnog eerst de rechteroever te nemen.

Voor de ouderen onder ons heeft de naam Nieuwersluis een aparte bijklank. Daar was de militaire gevangenis gevestigd. Nieuwersluis daar ging je naar toe als je het in het leger heel bont gemaakt had, of wanneer je helemaal niet in het leger wilde. Bij een van de oudere Artishockleden thuis heb ik wel eens foto’s gezien uit de jaren ’60. Een Artishocker van het eerste uur weigerde dienst en werd door een groep vrienden en vriendinnen, mannen met lange haren en baarden, vrouwen in oosterse gewaden, afgeleverd aan de poort van de gevangenis. Hij is er heelhuids weer uitgekomen.

Wij parkeren voor die gevangenispoort. En bewonderen de imposante pupillenschool, een militaire instelling voor jongens tussen de 12 en 15 jaar oud, uit 1877. Je moet er niet aan denken hoe het voor die jongens geweest moet zijn om hier gedrild te worden. Vast geen pretje.


Gevangenispoort - Nieuwersluis
De langgerekte bakstenen gevel, met witgepleisterde ingang- en hoekpartijen, versierd met wapenschilden, leeuwen en krijgshaftige spreuken, domineert het dorp, dat met zijn kleine huisjes aan de overkant van de rivier ligt. 

Veel dorp is het trouwens niet. Eigenlijk maar één straat en daar overheersen de militaire gebouwen. Er is op het eerste gezicht niet eens een kerk, maar het zou goed kunnen dat de bewoners vroeger voor de mis naar het nabijgelegen Loenen gingen.

Bij thuiskomst lees ik Craandijk er nog eens op na. Die schrijft dat er in 1673 ‘…ten behoeve van het garnizoen en van de talrijke bevolking van den omtrek een kerkje gebouwd en een predikant beroepen…’ werd. Hij noemt zelfs de naam van de dominee: ‘Thomas Coenen, gewezen predikant te Smyrna…’ Als we later op de ochtend nog eens door het dorp rijden ontdek ik het kerkje weer niet. Dus het is of erg klein en onopvallend, of verdwenen.




Dit verhaal verscheen in 2006 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.


Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Kransberg en Mils - Kastelengids van Nederland 1979; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996; Cultuurhistorische routes in de provincie Utrecht - De Hollandse waterlinie 1996.

Websites algemeen: www.vecht.nl en www.hollandsewaterlinie.nl  
Over Loenen, Vreeland en Nieuwersluis: www.stichtsevecht.nl en de Historische Kring Gemeente Loenen: www.hkgl.nl

Wikipedia over Nieuwersluis

Nieuwersluis op Google Maps

zaterdag 12 maart 2011

De Vecht 14 – Breukelen, buitenplaats Gunterstein

Schuin tegenover de brug over de Vecht bij Breukelen, ligt ridderhofstad Gunterstein. Het huidige vierkante gebouw staat op de plaats van een oud kasteel. Dat verklaart ook de aanwezigheid van een brede gracht en een brug die vroeger ongetwijfeld ophaalbaar geweest is. 


‘Een breede, statige laan van beuken en kastanjes loopt langs den zoom van het schoone landgoed’, schrijft dominee Craandijk, ‘aan het einde daarvan (…) schittert het witte huis van Gunterstein in het licht der voorjaarszon en boven het hooge dak verheft zich het met beelden versierde torentje in de blaauwe lucht.’

Gunterstein, achtergevel...
Dat torentje is een kunstige vermomming voor de schoorsteen en het is, met het gebogen balkon dat uitziet op de rivier, zo’n beetje de enige frivoliteit aan het kasteel, dat verder een strakke en strenge indruk maakt. Wit is het trouwens niet meer aangezien men, in de jaren ’30 van de vorige eeuw, de pleisterlaag verwijderd heeft.

Om een of andere reden is in de loop van de 20ste eeuw het idee ontstaan dat oude gebouwen er altijd op vooruit gaan als je de oorspronkelijke pleisterlagen weghaalt. Maar het is wel eens goed om te bedenken dat vrijwel alle middeleeuwse huizen en kastelen van binnen en van buiten van een kalk- of verflaag voorzien waren. Soms wit, maar vaak ook vrolijk gekleurd. De kale baksteen die we nu voor authentiek houden werd toen als lelijk en onaf gezien. Smaken veranderen in de loop der eeuwen.


Het eerste kasteel op deze plaats werd volgens de website www.kasteleninutrecht.eu aan het begin van de 14e eeuw gebouwd door Gijsbrecht Gunter, bijgenaamd ‘grote Ghise’. In de late 14e eeuw wordt het voor het eerst als Gunterstein genoemd, als het verpacht word aan ridder Jan van Nijenrode ‘…voor negen, goede, oude Vranckrijksche schilden in het jaar.’

Zoals Craandijk schrijft behoort het dan toe aan Elsabeen, de onmondige dochter van heer Splinter van Loenresloot. Ze konden het mooi vertellen in de middeleeuwen, maar heel duidelijk is het niet, want later schijnt het kasteel in bezit van de van Nijenrodes te zijn gekomen want ‘…Jan van Nijenrode, knape, droeg in 1415, voor het gerecht te Breukelen den vrijen eigendom van het huis Gunterstein over ten behoeve van der zelfde Elzabe van Loenersloot.’ Dat moet haast wel in het rechthuis op de Kerkbrink zijn gebeurt, waar Gerard en ik gezeten hebben. En klaarblijkelijk was Elsabeen nu niet langer onmondig.

Het kasteel was toen een gebouw met torens en verdedigingswerken. Dat kon niet voorkomen dat het in 1508 door de Bourgondiërs verwoest werd. Ongetwijfeld in een van de schermutselingen, die samenhingen met de herrie, die er in die tijd rondom de bisschop van Utrecht was. In 1511 deden de burgers van Utrecht het nog eens dunnetjes over en maakten Gunterstein praktisch met de grond gelijk. De stenen namen ze mee om de, door de heer van IJsselstein verwoeste stadswijk, Bemuurde Weerd, weer op te bouwen.


Gunterstein werd ook herbouwd en kwam in 1611 in bezit van de beroemde raadspensionaris Johan van Oldenbarneveld. Deze zowel gehate als geprezen staatsman werd in 1619 van hoogverraad beschuldigd en onthoofd. Zijn bezittingen vervielen aan de staat. Gunterstein werd evenwel in leen gegeven aan kleindochter Odilia van Oldenbarneveld en kwam later in bezit van de familie Cats.

In 1659 werd Engelbert Ploos van Amstel, ambachtsheer van Tienhoven de gelukkige eigenaar. Hij had wel de pech dat in het rampjaar 1672 ook Gunterstein niet ontsnapte aan de verwoestende aandacht van de Franse troepen.

In 1681 werd het huidige, statige landhuis gebouwd, in opdracht van Magdalena Poulle, vermoedelijk naar een ontwerp van Adriaan Dortsman. Aan de gebouwen is sindsdien niet heel veel veranderd, afgezien van die pleisterlaag dan. En Gunterstein is nog steeds bezit van de erfgenamen van Magdalena. Het park veranderde in de loop der tijd wel van een formele Franse tuin in een landschapspark in Engelse stijl.



Dit verhaal verscheen in 2006 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996.

Wikipedia over Breukelen

Breukelen maakt tegenwoordig deel uit van de gemeente Stichtse Vecht zie ook http://www.histkringbreukelen.nl/ met veel info en plaatjes over de historische gebouwen in en om het dorp.

 

zaterdag 5 maart 2011

De Vecht 13 – Breukelen, de Kerkbrink

Breukelen is een mooi dorp met als middelpunt de Kerkbrink, waarlangs monumentale pandjes en terrasjes de voorbijganger uitnodigend lonken voor een kopje zondagochtendkoffie. Gerard en ik nemen plaats op het terras naast het oude ‘Rechthuys van Breuckelen en Breuckeleweert’.

In dit in 1672, na verwoesting door de Fransen, grotendeels vernieuwde gebouw is ook een horeca gelegenheid gevestigd, maar die lijkt nog gesloten. Even later, als wij bij de buren aan ons bakje cappuccino zitten, komt er een pronte blondine uit het ‘Rechthuys’ tevoorschijn. Ze begint de terrastafels en -stoelen schoon te lappen, onderwijl luidop, met een collegaatje van twee terrassen verder, de gebeurtenissen van de afgelopen uitgaansavond en -nacht doornemend. 

Tekening - Gerard Kuit

Je zou het storend kunnen vinden, maar wij genieten er van. De Kerkbrink is trouwens niet zo oud als de historische huisjes aan weerszijden doen vermoeden. Oorspronkelijk liepen hier twee straten, de Kerkstraat en de Nieuwstraat, van de rivier richting kerk. In de jaren ’70 van de vorige eeuw besloot men dat het dorp een centrum met meer grandeur behoefde en werden de oude panden, langs de twee straten, gesloopt om plaats te maken voor het langwerpige plein van tegenwoordig. Als je niet weet wat er verloren is gegaan, mis je het ook niet. De Kerkbrink is een mooi plein, te vergelijken met de centrale pleinen in plaatsen als Culemborg en Vianen.


Als je het plein in de lengte oversteekt kom je bij de hervormde Pieterskerk, die volgens een plakkaat op de gevel in de 8ste eeuw gesticht is door de beroemde prediker Bonifacius. De oudste delen van de huidige, sobere, gotische kerk dateren uit de 15e eeuw. Maar nadat de toren in 1702 door een storm verwoest werd, is het gebouw grotendeels vernieuwd. Tegen de zuidzijde van het schip is, in de 18e eeuw, een kapel gebouwd waarin de stoffelijke resten van de bewoners van kasteel Gunterstein bijgezet zijn. In de kerk zijn tombes en grafzerken van andere plaatselijke adellieden te bewonderen. De oudste uit de 15e eeuw.

Maar wij gaan niet naar binnen. Er is buiten ook genoeg te zien. Het brandspuithuisje bijvoorbeeld, uit 1869, dat rechts naast de kerk in een soort plantsoen staat. Er staat een klok op het dak om te luiden in tijden van nood. Dat zal wel niet veel meer gebeuren nu de wereldwinkel er is gevestigd.

Links naast de kerk staan twee rijtjes lage huisjes. Zo op het oog een armen- of bejaardenwoningen. We vragen ons af of er in deze kleine huisjes, een of twee kamertjes onder een laag puntdak, in vroeger jaren hele gezinnen gewoond hebben. Op de website, van de historische kring Breukelen, lees ik bij thuiskomst dat het om 18e eeuwse arbeidershuisjes gaat. Nu hebben een architecten bureau en een begrafenisondernemer er onderdak gevonden. Er tegenover staat de dorpspomp, die een replica is uit 1997, van de oorspronkelijke pomp die hier stond tot 1928, het jaar dat Breukelen aangesloten werd op het waterleidingnet.


Toen dominee Craandijk door Breukelen wandelde, in 1875, zag de dorpskern er heel anders uit, omdat de Kerkbrink nog niet aangelegd was. Hij beschrijft het als ‘…een uitgestrekte en welvarende plaats met talrijke straten, die het groote kerkgebouw omringen, met goed onderhouden burgerwoningen en heerenhuizen, frisch en vrolijk door het overvloedig groen van tuinen en opgaande bomen…’.

Jac. P. Thijsse, die in 1915 passeerde, nam niet eens de moeite om de brug naar het dorp over te steken. Hij beperkte zich tot het tegenover de brug liggende kasteel Gunterstein en de parklanden daar omheen. Daar gaan Gerard en ik ook nog een kijkje nemen.



Dit verhaal verscheen in 2005 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996.

Wikipedia over Breukelen


Breukelen maakt tegenwoordig deel uit van de gemeente Stichtse Vecht zie ook http://www.histkringbreukelen.nl/ met veel info en plaatjes over de historische gebouwen in en om het dorp.



dinsdag 22 februari 2011

De Vecht 12 - Van Nijenrode naar Breukelen

Rond het jaar 1500 wonen de laatste van Nijenrodes op kasteel Nijenrode, de zusjes Josina en Johanna. Hun ouders, Jan III, de blinde, van Nijenrode en Elisabeth van Zuylen, sterven vlak na elkaar en in 1504 ziet een Gelderse ridder, Willem Torck, zijn kans schoon. Hij ontvoert de twee meisjes, een gewelddaad waarbij zelfs doden vallen. De familie laat dit niet op zich zitten, maar de actie die ze ondernemen is minder gewelddadig dan je zou verwachten. Oom Steven van Zuylen beklaagt zich bij de bisschop en de Utrechtse raad van staten en daar blijft het bij.

Het weerhoudt Willem er niet van om een jaar later met Josina te trouwen en zo heer van Nijenrode te worden. Veel sympathie geniet hij echter niet in de buurt. In 1511 wordt Nijenrode nog eens door Utrechtse burgers verwoest, dit keer in een samenwerkingsverband met Gelderse troepen. Willem wordt als gevangene afgevoerd, maar in 1512 weer vrijgelaten en in staat gesteld het kasteel weer op te bouwen. In 1536 wordt het als ridderhofstad erkend.

De Vechtbrug bij Breukelen - tekening Gerard Kuit

Na de woeste middeleeuwen komt kasteel Nijenrode in rustiger vaarwater. Door huwelijk kwam het halverwege de 16e eeuw, in de familie van den Bongard. Dat bleef zo tot 1669, dan komt het in handen van de familie van Reede tot Saesfelt. Er is in die periode veel aan Nijenrode verbouwd. De boel is net aardig op orde als de Franse troepen er in 1673 hun hoofdkwartier vestigen. De Fransen vernielen het een en ander, maar de grootste verwoesting wordt aangericht door hun Zwitserse vrienden die bij hun vertrek de hoofdtoren opblazen en de rest van het kasteel in brand steken.


 

De puinhopen worden in 1675 gekocht door de Amsterdamse koopman Johan Ortt, voor 40.000 gulden. Hij laat de boel weer netjes opknappen en gaat er met zijn gezin wonen. Tot halverwege de 19e eeuw blijft het min of meer in de familie. Onderling geruzie heeft tot gevolg dat Nijenrode een paar keer geveild wordt, waarbij verschillende familie leden het afwisselend opkopen. In 1853 zakt Sara Adriana, de laatste van Ortt, in Tilburg met haar paard en wagen door een ophaalbrug en komt daarbij te overlijden. Het kasteel wordt verkocht en doet een poosje dienst als kostschool.

In 1907 komt Nijenrode in het bezit van de koffiemagnaat Michiel Onnes. Deze besluit tot een omvangrijke restauratie, waarbij onder andere de grote toren tot de grond toe afgebroken wordt en, een verdieping hoger dan oorspronkelijk, weer opgebouwd. Hij bouwt ook het neo-renaissancistische poortgebouw aan de straatweg en laat het park opnieuw aanleggen. Onnes raakt hierdoor uiteindelijk in financiële problemen en is gedwongen de boel te verkopen aan de bekende Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Die stelt er zijn omvangrijke kunstverzameling ten toon en houdt er feesten en recepties.

In de tweede wereldoorlog raakt Goudstikker zijn bezittingen grotendeels kwijt en komt hij zelf, op de vlucht naar Engeland, om het leven. Zijn erfgenamen zijn er pas in 2006, na ruim 50 jaar procederen, in geslaagd een deel van de kunstcollectie van de Nederlandse staat terug te krijgen. 

Nijenrode wordt in 1940 verkocht aan de Duitser Alois Med, die Nazi-topstukken als Seis-Inquart en Göring op zijn nieuw verworven kasteel onthaalt. Na de bevrijding verblijven er Duitse krijgsgevangenen op Nijenrode, bewaakt door Canadese troepen. In 1946 vestigt de Stichting Nijenrode, Nederlands Opleidings-Instituut voor het Buitenland, zich op het kasteel, in 1950 wordt de stichting ook eigenaar.


 

Als we er dominee Craandijk en Jac Thijsse op naslaan dan is het aardige dat zij twee heel verschillende indrukken van Nijenrode noteren. Craandijk wandelt er aan het eind van de 19e eeuw voorbij en merkt op dat het veranderd is '…van een geducht kasteel in eene vreedzame jongejuffrouwenkostschool. Op den keeper beschouwd, is het ook meer portlandsche cement, dan gehouwen steen, waaraan zijn muren en kanteelen hun grimmig voorkomen ontleenen.'

Thijsse treft in 1915, tijdens de restauratie van Onnes, een heel ander Nijenrode aan: '…schoner dan ooit tevoren. De tegenwoordige eigenaar heeft niets gespaard, om aan 't slot en zijn tuinen hun oude luister weer te geven…'. Waarschijnlijk heeft hij gelijk als hij zegt dat '…Nijenrode nu veel mooier is dan anno 1700.' Maar of het ook allemaal authentiek is ?

Gerard en ik rijden inmiddels, op de andere oever, rustig verder richting Breukelen. Bij de ophaalbrug, tegenover kasteel Gunterstein, wenkt de brugwachtster dat we nog snel de brug over mogen, voor ze hem ophaalt om een pleziervaartuigje te laten passeren. Door een smal straatje komen we aan de Kerkbrink en na een klein rondje vinden we een parkeerplaats achter de Katholieke kerk.


Dit verhaal verscheen in 2005 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996.



dinsdag 15 februari 2011

De Vecht 11 - Nijenrode en het rampjaar


De ouderen onder ons kunnen het nog wel opdreunen: 1672 Rampjaar, Frankrijk, Engeland, Keulen en Münster vallen ons land binnen. Maar omdat het tegenwoordig slecht gesteld is met de kennis van de Vaderlandse Geschiedenis zal ik het nog eens uitleggen.

Het rampjaar en de daarop volgende oorlog maken een einde aan het eerste Stadhouderloze Tijdperk, dat aangevangen is na de dood van stadhouder Willem II in 1650. Het schijnt dat met name Lodewijk XIV, de Zonnekoning, ontstemd is over de tegenwerking die hij ondervindt, van de Republiek der Nederlanden, waar het zijn expansiedrift betreft.

Lodewijk vindt Frankrijk veel te klein en meent dat de noordgrens eigenlijk ter hoogte van de Rijn zou moeten liggen. Het bisdom Münster en het keurvorstendom Keulen verlenen hem de doorgang en zo kan hij ons land vanuit het oosten binnenvallen. De Engelsen zetten met hun schepen koers naar onze westkust. In Nederland zelf breekt een oproer uit, aangestookt door aanhangers van het huis van Oranje, die er mede toe leidt dat de gebroeders De Witt in Den Haag, door een woedende volksmenigte, op straat aan stukken worden gescheurd.

De Franse troepen trekken op tot aan de Hollandse waterlinie, bezetten onder meer de stad Utrecht en richten overal verwoestingen aan. Michiel de Ruiter verslaat echter de Engelse vloot en de Republiek sluit weer vrede met de Britten in 1674.

De vrede met Münster volgt snel en uiteindelijk worden de geschillen met Keulen en Frankrijk in 1678 bijgelegd. Deze schermutselingen, die bekend staan als de Hollandse Oorlog leiden ertoe dat Prins Willem III stadhouder wordt en daarmee komt een eind aan het eerste Stadhouderloos Tijdperk.


Fascinerend, hè, die Vaderlandse geschiedenis ? En de gevolgen zijn tot op de huidige dag zichtbaar. Ook aan de Vecht, waar vrijwel alle kastelen en buitenhuizen van voor 1672 door de Fransen in de as gelegd zijn. Eigenlijk is alleen Oudaen gespaard gebleven, men denkt omdat de eigenaar katholiek was (net als de Fransen). Het volgende kasteel dat we tegenkomen, Nijenrode, werd door de Franse troepen wel verwoest.

Nijenrode ligt voor ons aan de overkant van de rivier. We stoppen wel even voor een foto, maar uitgebreid bekijken kunnen we het niet. Het is een imposant kasteel maar, omdat er de bekende Nyenrode Business Universiteit in gevestigd is, is het niet toegankelijk voor het gewone publiek. Het werd vermoedelijk in de 13e eeuw gesticht door Gerard Splinter van Ruwiel en bestond toen waarschijnlijk uit een enkele toren.

Een verklaring voor de naam is dat 'Nije' staat voor nieuw en 'rode' voor een pas gerooid stuk bos. Gijsbrecht, de zoon van Gerard, gaat zich van Nijenrode noemen en stort zich in de twisten tussen Hollanders en Utrechters. In 1311 betaalt Graaf Willem III van Holland 'de som van 2000 zwarte tournoisen' voor schade die het kasteel door krijgshandelingen heeft opgelopen.

Gijsbrecht II, kleinzoon van de eerste, sluit zich tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten aan bij de Kabeljauwen, die de aanspraken van Willem V op Holland en Zeeland steunen. In de winter van 1355 moordt hij de mannelijke bevolking van Bunschoten uit en aansluitend legt hij Soest in de as. Altijd leuk om te lezen dat je eigen woonplaats ook een rol heeft gespeeld in de vaderlandse geschiedenis !

Wat later wordt de gewelddadige heer van Nijenrode door de Utrechters gevangen genomen. Als straf voor zijn wandaden moet hij een bedevaart naar het heilige land maken. Bij terugkeer sluit hij zich aan bij de Hoeken, zijn voormalige vijanden dus, en schermutselt vrolijk verder.

Dat een onrustig leven tot op hoge leeftijd vol te houden is bewijst Gijsbrecht door na zijn 70ste nog deel te nemen aan de belegering van het kasteel Altena, waar rebellerende edelen Aleid van Poelgeest, de vriendin van Hertog Albrecht van Beieren, gevangen houden. Kleinzoon Gijsbrecht III huwt met Alienora van Borsselen, een zuster van Frank van Borsselen, de geheime geliefde van Jacoba van Beieren. (Zie ons verhaal over slot Zuylen.)


Inmiddels zijn we halverwege de 15e eeuw. Nijenrode staat dan aan de kant van David van Bourgondië, de Bisschop van Utrecht. Het is misschien moeilijk te volgen, maar het gevolg is dat de boze burgers van Utrecht, die hun Bisschop de stad al uitgeschopt hebben, het kasteel in 1481 plunderen en in brand steken.

De boel wordt weer opgebouwd en rond 1500 wonen de laatste telgen uit het geslacht van Nijenrode, de zusjes Josina en Johanna, op het kasteel. Hoe het hun verging leest u in de volgende aflevering van onze reis langs de Vecht.


Dit verhaal verscheen in 2005 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996.




vrijdag 11 februari 2011

De Vecht 10 – Van Goudestein tot Ridderhofstad Oudaen

Dominee Craandijk vertelt hoe in de 17e eeuw Constantijn Huygens lovende dichtregels wijdde aan Goudestein. 'En als Huygens zoo de loftrompet stak, Huygens die toch waarlijk op Hofwijk en in zijne huizinge in Den Haag ook niet in 't midden eener woestenij leefde, dan blijkt het wel, dat de Vecht in 't algemeen en Goudenstein in 't bijzonder een groote aantrekkelijkheid moet hebben gehad.'

De dominee vindt trouwens de aanblik van het 19e eeuwse Goudestein enigszins teleurstellend: 'De steenen koepel op den hoek is verdwenen en de poortvormige ingang door een ligt ijzeren hek vervangen. Wat er van het oude nog over is, is welligt het "schaduwrijk geboomte". ' Niettemin moet hij toegeven dat het ook nu nog tot de sieraden van de Vecht behoort.
 


Gerard en ik stappen weer in de auto om onze weg te vervolgen langs andere sieraden, want de buitenhuizen staan hier haast schouder aan schouder. We passeren Otterspoor, Ganzenhoef en Doornburg, mooie tuinen, theekoepels en een enkele oude boerderij. We kunnen onmogelijk bij elke bezienswaardigheid stoppen en rijden daarom maar kalmpjes verder, terwijl nieuwe donkere wolken boven ons de zon dreigen te verduisteren.


Uiteindelijk houden we halt bij ridderhofstad Oudaen, een van de aardigste kastelen langs de Vecht. Thijsse noemt het een '…hoog en grauw gebouw…', maar rond 1900 was de voorgevel voorzien van een grijs geschilderde, planken betimmering, die bij een restauratie in 1978 gelukkig verwijderd is. Craandijk schrijft: 'Veel vertooning maakt het huis niet, maar reeds sinds drie eeuwen spiegelden zich zijn beide trapgevels, met het hangende torentje daar tusschen, in den kalmen stroom.'
Toegegeven Oudaen is geen spectaculair kasteel, maar het is wel een prachtvoorbeeld van wat je een klassieke ridderhofstad kunt noemen. Van oorsprong de versterkte woning van een ridder, of edelman, met een boerderij erbij, dus verdedigbaar en zelfvoorzienend. Vanaf de 16e eeuw was het bezit van een ridderhofstad een voorwaarde om, als edelman, deel te kunnen nemen aan de provinciale statenvergadering en de Staten-Generaal. Toen had een dergelijke woning dus een politieke waarde en was het belangrijk om je huis op de officiële lijst van erkende ridderhofsteden geplaatst te krijgen.

Dit systeem hield stand tot het eind van de 18e eeuw. Het gevolg was dat veel oude ridderhofsteden hun middeleeuwse kenmerken behielden, terwijl de huizen op zich niet meer verdedigbaar waren. Oudaen, dat in 1536 zijn officiële erkenning als ridderhofstad kreeg, heeft dan ook het uiterlijk van een deftig, dubbel herenhuis, met trapgevels, grote ramen en een decoratief hangtorentje. Maar is wel gelegen op zijn eigen eilandje, omringt door een slotgracht en toegankelijk via een ophaalbrug. Een kwaadwillende zou echter zonder problemen een baksteen over de gracht naar binnen kunnen werpen. Gelukkig voor de huidige bewoners komen wij alleen om foto's te maken en een beetje rond te kijken.


 

Het oudste deel van Oudaen, de rechter helftvan het kasteel (op de foto hiernaast, dus links), dateert uit de 13e eeuw en vormde toen een alleenstaande woontoren. Bij verbouwingen in de 16e en 17e eeuw kreeg het zijn huidige uiterlijk. Tegen de toren werd een tweede exemplaar aangebouwd. Het geheel werd voorzien van sierlijke gevels en aan de achterkant kwam een aanbouw, waarin de ingang werd opgenomen, en een halfronde traptoren. Op het terrein buiten de gracht staan een witgepleisterde, 17e eeuwse boerderij en twee dienstgebouwen met daartussenin de overblijfselen van een toegangspoort.
Ridderhofstad Oudaen zou genoemd zijn naar het riviertje de Oude Aa, dat vroeger hier aan de Vecht ontsprong. Aan de oude gracht in de stad Utrecht staat ook een huis Oudaen en de overeenkomst van naam is misschien geen toeval. Dit huis, dat bekend staat als stadkasteel en dat een horecagelegenheid en een bierbrouwerij herbergt, dankt volgens een folder van de gemeente Utrecht zijn naam aan Evert Taets, burgemeester van Utrecht en heer van de ridderhofstad Oudaen, die beide kastelen in de 14e eeuw in bezit had.

Een verhaal dat tegengesproken wordt door mijn monumentengids. Daar schrijven ze dat het Utrechtse huis Oudaen genoemd is naar de familie Van Houdaen, die het pand in de 15e eeuw bezat. Hier moeten professionele historici zich maar eens het hoofd over breken.


 
Terwijl het weer zachtjes begint te regenen maken Gerard en ik, onder de beschutting van een paraplu, een paar foto's. Daarna stappen we weer in de auto om onze weg richting Breukelen te vervolgen.



Dit verhaal verscheen in 2005 in de Artishockberichten, verenigingsblad van culturele vereniging Artishock in Soest. Omstandigheden kunnen inmiddels veranderd zijn.



Tekening: Gerard Kuit


Bronnen: J. Craandijk - Wandelingen door Nederland 1890; Jac. P. Thijsse - de Vecht 1915; ENSIE Lexicon 1952; Atlas van de Nederlandse kastelen 1980; Monumenten in Nederland 1996; Handboek Natuurmonumenten 1996.


Website van de Gemeente Maarssen 


Erfgoed Utrecht en Het Utrechts Archief    - voor artikelen en oude afbeeldingen van ridderhofstad Oudaen (en andere monumenten) 

Meer informatie over stadskasteel Oudaen in Utrecht